Uitspraak
,nummer RK 11/710
,op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
1.Geding in cassatie
2.De bestreden beschikking
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
10 december 2013.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over het medisch beroepsgeheim in het kader van een vordering tot verstrekking van verlofgegevens van een patiënt van een forensische psychiatrische inrichting. De rechtbank had eerder geoordeeld dat deze gegevens onder het medisch beroepsgeheim vallen en dat er geen zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn die doorbreking van dit rechtvaardigen.
De officier van justitie had betoogd dat de gegevens niet onder het beroepsgeheim vielen of dat er wel uitzonderlijke omstandigheden waren vanwege verdenking van ernstige zedendelicten en het belang van het opsporingsonderzoek. De rechtbank vond echter dat de gevorderde gegevens betrekking hadden op de behandeling van de patiënt en dat de belangen van het opsporingsonderzoek niet zwaarder wogen dan het verschoningsrecht.
De Hoge Raad bevestigde dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde om niet te voldoen aan de vordering geëerbiedigd moet worden, tenzij redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat dit onjuist is of er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank dit standpunt voldoende had gemotiveerd en dat het beroep van het Openbaar Ministerie daarom werd verworpen.
De uitspraak benadrukt het belang van het medisch beroepsgeheim en de zorgvuldige afweging die moet plaatsvinden bij het doorbreken daarvan, waarbij ook gekeken moet worden naar minder ingrijpende alternatieven en de mate van informatie die beschikbaar is voor de rechter.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie wordt verworpen; het medisch beroepsgeheim blijft beschermd.