ECLI:NL:HR:2009:BH2793
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vaststelling reikwijdte schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van erfgenamen slachtoffer moord
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ook kan worden opgelegd ten behoeve van de erfgenamen van het slachtoffer. De verdachte werd door het hof veroordeeld voor moord gepleegd op 11 november 2005. De benadeelde partij, bestaande uit de erfgenamen van het slachtoffer, vorderde schadevergoeding voor onder andere schoonmaakkosten, uitvaartkosten en gedenksteen.
Het hof kende een bedrag toe van €9.324,92 en legde de schadevergoedingsmaatregel op aan de verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat de term 'slachtoffer' in art. 36f Sr zo moet worden uitgelegd dat ook de erfgenamen van het slachtoffer, zoals bedoeld in art. 51a, tweede lid, Sv, hieronder vallen. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis en de samenhang tussen de bepalingen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van veertien jaar naar dertien jaar en tien maanden. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen. Hiermee bevestigde de Hoge Raad de rechtmatigheid van de schadevergoedingsmaatregel en de toegepaste straf.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de erfgenamen en vermindert de gevangenisstraf tot dertien jaar en tien maanden wegens termijnoverschrijding.