ECLI:NL:HR:2009:BI1363
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf na cassatie wegens overschrijding redelijke termijn en afwijzing getuigenverzoeken
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf. De verdediging had verzocht om het horen van meerdere getuigen die mogelijk invloed hadden op de betrouwbaarheid van verklaringen van minderjarige slachtoffers. Het hof wees deze verzoeken deels af, waarbij het verzoek om een deskundige te benoemen om de betrouwbaarheid van videobanden te beoordelen werd toegewezen, maar het horen van de getuigen werd afgewezen wegens onvoldoende relevantie.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek om de getuigen alsnog te horen niet conform de vereisten van artikel 287, derde lid, onder a, Wetboek van Strafvordering was gedaan en dat de afwijzing van het verzoek een beslissing betrof waarop artikel 322, vierde lid, geen betrekking had. Hierdoor kon de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep tegen het tussenarrest.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, waardoor de straf ambtshalve werd verminderd met zes maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij niet voldeden aan de vereisten voor cassatie. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en bepaalde dat deze vier jaar bedraagt.
Uitkomst: De gevangenisstraf is ambtshalve verminderd tot vier jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep is voor het overige verworpen.