Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof Arnhem-Leeuwarden (ik citeer het middel) “ten onrechte (…) de zaak geheel en al opnieuw [heeft] behandeld zonder acht te slaan op door het Hof Den Haag toegewezen onderzoekswensen van de verdediging”.
BESLISSING
tot oproeping van getuigen ter terechtzittingmaar beslissingen dat de betrokken getuigen worden gehoord door de raadsheer-commissaris, die zijn genomen op grond van art. 316 Sv Pro in verbinding met art. 420 Sv Pro. En dit zijn géén beslissingen als bedoeld in art. 322 lid 4 Sv Pro, die bij een nieuwe aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in stand blijven. [4] Datzelfde geldt voor de beslissing om door de advocaat-generaal bij het hof onderzoek te laten (doen) verrichten.
tweede middel, aangevuld bij aanvullende schriftuur, houdt in dat (ik citeer het middel) “het Hof Arnhem-Leeuwarden op 24 december 2014, terwijl hij wist dat er bij het Hof Den Haag bepaalde toewijzende beslissingen waren genomen op de door de verdediging naar voren gebrachte onderzoekswensen, niet heeft willen kennisnemen van die voor de verdediging belangrijke tussenbeslissing van het Haagse hof”.