Conclusie
eerstemiddel klaagt (kort gezegd) dat de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.
Feit 2 en 3
NJ2016/375 m.nt. Wolswijk, heeft Uw Raad overwogen (met weglating van verwijzingen):
tweedemiddel klaagt over de afwijzing van een verzoek tot benoeming van een deskundige, over de afwijzing van een voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen en over de verwerping van het verweer dat [medeverdachte 1] niet vergunningplichtig zou zijn. De verzoeken en het verweer houden verband met het onder 4 en 5 bewezenverklaarde en raken allemaal aan hetzelfde onderwerp: de samenstelling van de door [medeverdachte 1] ingenomen slobs etc.. Voor een goed begrip geef ik, alvorens het middel verder te bespreken, de bewezenverklaring, de voor de beoordeling van het middel relevante passages uit de bewijsmiddelen en enkele onderdelen van de toepasselijke regelgeving weer.
10 maart 2011. (…) De werkzaamheden van [medeverdachte 1] met de plantaardige oliën werden in het geheel niet gedekt door de vergunning en waren dus onvergund.
nachts worden ingenomen worden tijdelijk opgeslagen in een tankoplegger. Soms wordt het water van de olie gescheiden.
Als het waswater te vuil wordt, dan pompen we er schoon water bij. Sinds zeven jaar leeg ik mijn slobtanks bij [medeverdachte 1] . Het is een afvalstof. (…)
Slobs vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater
domestic court ‘to grant a referral may, in certain circumstances, infringe the fairness of proceedings where the refusal proves to have been arbitrary’. Maar het EHRM legt daarbij de nadruk op ‘
the obligation of reasoning on the national courts against whose decision there is no remedy under national law’. [41] Het ligt ook niet in de rede om, in het geval de afwijzing van een verzoek om het stellen van een prejudiciële vraag minder gelukkig geformuleerd is, de bestreden beslissing op die grond te vernietigen. In cassatie dient de nadruk te liggen op de vraag of er voor Uw Raad aanleiding is een prejudiciële vraag te stellen. [42] In dit licht komt ’s hofs motivering van de afwijzing van het verzoek, inhoudend dat de noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen niet is gebleken, mij toereikend voor.
derdemiddel klaagt dat de verwerping van bewijsverweren verband houdend met de feiten 6 en 9 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
NJ2014/65).
NJ2009/10 te mogen worden afgeleid dat van het opzettelijk niet doen van een melding krachtens het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer reeds sprake is als de verdachte weet dat geen melding is gedaan, ook al wist hij niet dat hij daartoe verplicht was. [50] Mij spreekt, gegeven het gekozen uitgangspunt, het laatste arrest meer aan. Het sluit het best aan bij het standpunt dat het opzet (alleen) gericht behoeft te zijn op de bestanddelen van de delictsomschrijving die erdoor beheerst worden.
NJ2014/65 was ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij ‘tezamen en in vereniging met een ander (…) een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Wet milieubeheer, (…) in werking had krachtens een (…) verleende vergunning, en daarbij opzettelijk gedragingen heeft verricht in strijd met voorschriften verbonden aan die vergunning’. Zo had hij ‘in strijd met voorschrift A3 de inrichting niet ordelijk en in goede staat van onderhoud gehouden door op verschillende plaatsen binnen de inrichting afvalstoffen zoals autobanden (…) op de bodem te brengen’ (etc.). Uw Raad overwoog dat bewezen was verklaard dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk in strijd met vergunningsvoorschriften had gedragen en dat daaruit volgde dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het overtreden van die vergunningsvoorschriften gericht moet zijn geweest. Deze uitspraak vloeit naar het mij voorkomt voort uit de omstandigheid dat het overtreden van de vergunningsvoorschriften, gelet op de redactie van de bewezenverklaring in die zaak, door de opzeteis werd beheerst.
[a-straat 1] te Dordrecht. Bij deze doorzoeking werden onder andere de navolgende documenten aangetroffen:
vierdemiddel klaagt dat het hof onder 9 ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [medeverdachte 1] opzettelijk gebruik maken van valse begeleidingsbrieven en aan het afleveren en/of voorhanden hebben daarvan, terwijl [medeverdachte 1] wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik. Het zou niet duidelijk zijn in hoeverre het hof bewezen heeft geacht dat daadwerkelijk gebruik is gemaakt van valse begeleidingsbrieven, dan wel daarvan nog geen gebruik is gemaakt maar [medeverdachte 1] die brieven wel heeft afgeleverd of voorhanden gehad terwijl [medeverdachte 1] wist dat die brieven voor gebruik bestemd waren. De bewezenverklaring zou daardoor onvoldoende met redenen zijn omkleed.
NJ2015/29 en naar J. de Hullu,
Materieel strafrecht, Deventer, Wolters Kluwer: 2018, p. 534.
vijfdemiddel klaagt dat de verbeurdverklaring van een geldbedrag van één miljoen euro onvoldoende met redenen is omkleed. Het hof zou aan die verbeurdverklaring (klaarblijkelijk) ten grondslag hebben gelegd dat dit bedrag geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van strafbare feiten is verkregen. Daarmee zou het hof kennelijk toepassing hebben gegeven aan art. 33a, eerste lid onder a, Sr zoals dat luidt sinds 1 juli 2011, terwijl de bewezenverklaarde feiten (grotendeels) gepleegd zijn vóór inwerkingtreding van dat artikelonderdeel en er sprake is van een wijziging van sanctierecht ten bezware van de verdachte.
Stb.1993, 11, luidde art. 33a, eerste lid, Sr voor zover van belang als volgt:
Stb.2011, 171, op 1 juli 2011 [57] is het gestelde onder a komen te luiden:
zesdemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in cassatie. De stukken van het geding zouden niet tijdig door het hof zijn ingezonden.