ECLI:NL:HR:2009:BI1689
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Herziening wegens nieuw forensisch bewijs over tijdstip overlijden bij doodslagzaak
De zaak betreft een herzieningsverzoek van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 1987, waarin de aanvraagster werd veroordeeld voor doodslag en valsheid in geschrifte. De bewezenverklaring steunde in belangrijke mate op een bekennende verklaring van de aanvraagster uit 1986 en het door het hof aangenomen tijdstip van overlijden tussen 18.00 en 19.10 uur.
Nieuw onderzoek door de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) bracht aan het licht dat het tijdstip van overlijden, gebaseerd op lichaamstemperatuurmetingen en een forensisch patholoog-anatoom, vermoedelijk eerder lag, tussen 15.00 en 17.00 uur of nog eerder. Dit vormt een novum dat het hof niet kende en dat de betrouwbaarheid van de bekennende verklaring ernstig in twijfel trekt.
De Hoge Raad oordeelt dat dit novum het ernstig vermoeden wekt dat het hof, indien hiermee bekend, tot vrijspraak van de aanvraagster zou zijn gekomen. Ook de veroordeling voor het gebruik van valse kascheques hangt samen met de doodslag en wordt daarom eveneens herzien.
De Hoge Raad verklaart de herziening gegrond en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor hernieuwde behandeling en beslissing. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herziening gegrond en verwijst de zaak voor hernieuwde behandeling naar het gerechtshof.