ECLI:NL:HR:2009:BI4080
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van moord met voorbedachte rade en afwijzing tegenonderzoek
De zaak betreft het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor moord op zijn echtgenote op 10 juni 2006 te Middelie. Het hof oordeelde dat de levensberoving niet het gevolg was van een onmiddellijke gemoedsbeweging, maar dat verdachte tijd en gelegenheid had zich op zijn voornemen te bezinnen, hetgeen voorbedachte rade bevestigt.
Centraal stond de vraag of het slachtoffer zelfstandig in de modderbodem van een watergang terecht kon zijn gekomen. Diverse deskundigen, waaronder een duikerarts en een geoloog, concludeerden unaniem dat het slachtoffer door een externe kracht, namelijk verdachte, in de modder was gebracht. Het hof verwierp het verzoek van de verdediging tot een tegenonderzoek omdat dit onvoldoende aanknopingspunten bood en niet de kern van de deskundigenbevindingen raakte.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat sprake was van voorbedachte rade en dat het verzoek tot tegenonderzoek terecht was afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaf hanteerde en zijn oordeel voldoende motiveerde. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor moord met voorbedachte rade en wijst verzoek tot tegenonderzoek af.