ECLI:NL:HR:2010:BK0871
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vervangende rechterlijke machtiging overdracht erfpachtrecht en redelijkheid voorwaarden canon
De zaak betreft een verzoek tot vervangende rechterlijke machtiging voor de overdracht van een erfpachtrecht op grond van art. 5:91 lid 4 BW Pro. Verzoekster, erfpachter van een perceel eigendom van het Hoogheemraadschap, wilde haar erfpachtrecht overdragen zonder wijziging van de canon. Het Hoogheemraadschap stelde echter als voorwaarde dat het bestaande recht zou worden beëindigd en een nieuw erfpachtrecht zou worden gevestigd onder de toen geldende algemene erfpachtvoorwaarden, wat een aanzienlijke canonverhoging zou betekenen.
De kantonrechter en het hof wezen het verzoek af. Het hof oordeelde dat het Hoogheemraadschap aan zijn toestemming voorwaarden mag verbinden, ook met betrekking tot de canon, en dat de voorwaarde om het recht te beëindigen niet in strijd was met het goederenrechtelijke karakter van het erfpachtrecht. Verzoekster stelde in cassatie dat het hof de algemene erfpachtvoorwaarden onjuist had uitgelegd en onvoldoende had gemotiveerd waarom wijziging van de canon binnen het lopende erfpachttijdvak via voorwaarden mogelijk zou zijn.
De Hoge Raad stelde vast dat de algemene erfpachtvoorwaarden geen algemeen verbindende voorschriften zijn, maar onderdeel van individuele overeenkomsten. Cruciaal is dat de rechter bij een verzoek op grond van art. 5:91 lid 4 BW Pro moet toetsen of de door de eigenaar gestelde voorwaarden redelijk zijn. Het hof had niet voldoende gemotiveerd waarom de voorwaarde tot beëindiging van het recht redelijk was en had het verzoek tot machtiging kunnen toewijzen, onvoorwaardelijk of onder redelijke voorwaarden.
De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling terug naar het gerechtshof te 's-Gravenhage. Tevens werd het Hoogheemraadschap veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met de instructie dat de rechter moet toetsen of de door de eigenaar gestelde voorwaarden redelijk zijn.