ECLI:NL:HR:2010:BK4935

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/05080
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid erkenning minderjarig kind in het buitenland en vervangende toestemming

De vrouw verzocht de rechtbank Arnhem om te verklaren dat de door de man in Straatsburg gedane erkenning van hun minderjarige kind nietig is. De man verzocht zelfstandig om vervangende toestemming tot erkenning. De rechtbank benoemde een curator en vroeg de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek en advies. Op basis daarvan verleende de rechtbank toestemming tot erkenning door de man.

De vrouw ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem, dat de eerdere beschikking vernietigde en de erkenning nietig verklaarde. Het hof wees ook het verzoek van de man om toestemming tot erkenning af. De man stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen cassatiegronden opleveren en dat het beroep niet tot cassatie kan leiden. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat de erkenning nietig is en dat vervangende toestemming niet wordt verleend.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de buitenlandse erkenning nietig is en het verzoek om vervangende toestemming wordt afgewezen.

Uitspraak

22 januari 2010
Eerste Kamer
08/05080
EE/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1. [De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
2. mr. R.P. ZWARTS, in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over het thans nog minderjarige kind [het kind],
kantoorhoudende te Arnhem,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man, de vrouw en de curator.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 1 maart 2004 ter griffie van de rechtbank Arnhem ingediend verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, voor recht te verklaren dat de, door de man op 11 oktober 2003 te Straatsburg gedane erkenning, van het minderjarige kind [het kind] (hierna: [het kind]) nietig is.
De man heeft het verzoek bestreden en zelfstandig verzocht hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [het kind].
De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 15 juni 2004 de curator als zodanig benoemd en bij tussenbeschikking van 29 juli 2004 de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen zoals omschreven in rov. 6 van de tussenbeschikking. Nadat de Raad voor de Kinderbescherming rapport en advies had uitgebracht, heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 30 juni 2005 toestemming verleend tot erkenning door de man van [het kind] en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen de eindbeschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. De curator heeft bij verweerschrift tevens incidenteel appelschrift verzocht de eindbeschikking van het hof te vernietigen en te verklaren dat de door de man op 11 oktober 2003 te Straatsburg gedane erkenning nietig is.
Na een tussenbeschikking van 23 mei 2006 heeft het hof bij eindbeschikking van 9 september 2008 in het principaal en incidenteel beroep de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw beschikkende, voor recht verklaard dat de door de man op 11 oktober 2003 te Straatsburg gedane erkenning nietig is, het verzoek van de man hem toestemming te verlenen [het kind] te erkennen alsnog afgewezen en het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De curator heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 22 januari 2010.