Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2010:BL1947

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00674
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZArt. 19 lid 1 Wet WOZArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat WOZ-beschikking geen toestandsdatum hoeft te vermelden

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking waarin de waarde van een onroerende zaak werd vastgesteld met vermelding van de waardepeildatum 1 januari 2003. De heffingsambtenaar handhaafde de beschikking, maar de Rechtbank Zutphen verklaarde het beroep gegrond en verminderde de waarde. Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en stelde de waarde eveneens verminderd vast.

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Deze oordeelde dat een WOZ-beschikking op grond van artikel 22 Wet Pro WOZ niet verplicht is een toestandsdatum te vermelden, maar wel de waardepeildatum. De waarde kan onder omstandigheden worden vastgesteld naar de staat van de zaak op een ander tijdstip dan de waardepeildatum, namelijk het begin van het tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld.

De Hoge Raad verwierp de klachten van belanghebbende en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Tevens wees de Hoge Raad proceskostenveroordeling af. Het arrest bevestigt de rechtspraak omtrent de vereisten voor WOZ-beschikkingen en de beoordeling van de waardepeildatum versus toestandsdatum.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof bevestigd.

Uitspraak

Nr. 09/00674
5 februari 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 januari 2009, nr. 06/00255, betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ).
1. Het geding in feitelijke instanties
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1a te Z voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld onder vermelding van de waardepeildatum 1 januari 2003.
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Epe bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.
De Rechtbank te Zutphen (nr. 05/1737 WOZ) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en de waarde verminderd.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en de waarde verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de klachten
3.1.1. Bij de beoordeling van de klachten moet worden vooropgesteld dat een beschikking als de onderhavige, waarmee de waarde van een onroerende zaak wordt vastgesteld op de voet van artikel 22 Wet Pro WOZ, niet behoeft te vermelden naar welke datum de staat van de zaak is bepaald (de toestandsdatum). Wel moet een dergelijke beschikking de waardepeildatum vermelden. Die vermelding betekent echter niet dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de beschikking in bezwaar en beroep steeds moet worden uitgegaan van de toestand van de onroerende zaak op die datum. Op grond van het voor het onderhavige jaar geldende artikel 19, lid 1, Wet WOZ moet de waarde bij een beschikking als bedoeld in artikel 22 Wet Pro WOZ immers onder omstandigheden worden vastgesteld naar de staat van de onroerende zaak op een ander tijdstip dan de waardepeildatum, te weten het begin van het tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld.
3.1.2. Voor zover de klachten uitgaan van een andere opvatting falen zij.
3.2. De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2010.