ECLI:NL:HR:2010:BL3221
Hoge Raad
- Cassatie
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep na discussie over aanzeggingstermijn
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het cassatieberoep centraal. Verdachte had beroep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De discussie betrof de datum van betekening van de aanzegging ex art. 435 Sv Pro, die bepalend is voor de termijn waarbinnen het cassatieschrift moet worden ingediend.
De administratie van de Hoge Raad had aan de raadsman van verdachte medegedeeld dat de aanzegging op 2 september 2009 was betekend, terwijl de feitelijke aanzegging aan verdachte zelf op 24 augustus 2009 had plaatsgevonden. Hierdoor was onduidelijk of de termijn voor het indienen van het cassatieschrift op 26 oktober 2009 nog binnen de toegestane termijn viel.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat verdachte niet-ontvankelijk moest worden verklaard, maar de Hoge Raad gaf hem alsnog de gelegenheid om nader te concluderen. Uiteindelijk oordeelde de Hoge Raad dat rekening gehouden moest worden met de redelijke verwachting van de raadsman omtrent de aanzeggingstermijn, waardoor verdachte ontvankelijk werd verklaard.
De zaak werd verwezen naar de rolzitting van 20 april 2010 voor verdere behandeling, waarbij iedere verdere beslissing werd aangehouden.
Uitkomst: Verdachte wordt ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep en de zaak wordt verwezen naar de rolzitting.