ECLI:NL:HR:2010:BM4087

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/05198
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:194 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over opzettelijke verzwijging van gemeenschapsgelden in erfrechtelijke nalatenschap

Deze zaak betreft een geschil over de omvang van een nalatenschap waarbij de vraag centraal stond of sprake was van opzettelijke verzwijging van tot de gemeenschap behorende goederen, zoals bedoeld in artikel 3:194 BW Pro. De zaak werd behandeld door de Hoge Raad na eerdere vonnissen van de rechtbank Amsterdam en een arrest van het gerechtshof Amsterdam.

De eiseres stelde dat verweerders bepaalde goederen die tot de gemeenschap behoorden, opzettelijk hadden verzwegen bij de afwikkeling van de nalatenschap. De Hoge Raad heeft de klachten van de eiseres onderzocht in het kader van cassatie, waarbij ook de stelplicht en bewijslast een rol speelden.

Uiteindelijk oordeelde de Hoge Raad dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep werd verworpen en de eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

9 juli 2010
Eerste Kamer
08/05198
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R. Menschaert,
t e g e n
1. de rechtsopvolgers van [betrokkene 1],
laatst gewoond hebbende te [woonplaats],
2. [Verweerster 2],
3. [Verweerder 3],
beiden wonende in Zwitserland,
4. [Verweerster 4],
5. [Verweerder 5],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres], verweerders onder 2 en 3 gezamenlijk ook als [verweerders 2 en 3] en verweerders onder 4 en 5 gezamenlijk ook als [verweerders 4 en 5].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 277809 / H 03.3003 van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2005 (tussenvonnis) en 23 november 2005 (eindvonnis);
b. het arrest in de zaak 106.004.636/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 21 augustus 2008.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen verweerders is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiseres] heeft op 19 mei 2010 schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweerders begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 juli 2010.