ECLI:NL:HR:2010:BM9771
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De klacht richtte zich op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, doordat de stukken te laat door het hof werden ingezonden. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest met betrekking tot de strafduur en vermindering daarvan.
De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De overige middelen van cassatie worden verworpen omdat zij geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor de strafduur en vermindert deze conform de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.