ECLI:NL:HR:2010:BN6239

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01261
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:681 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over kennelijk onredelijk ontslag en ontslagvergoeding zonder toepassing kantonrechtersformule

In deze zaak stond de vraag centraal welke vergoeding aan eiser toekomt wegens het gegeven ontslag dat het hof kennelijk onredelijk achtte. Het hof had bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding gebruikgemaakt van de kantonrechtersformule verminderd met 30%, hetgeen volgens de Hoge Raad een onjuiste rechtsopvatting is.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 27 november 2009 waarin is bepaald dat bij een vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag eerst moet worden vastgesteld of het ontslag kennelijk onredelijk is en dat bij de vaststelling van de vergoeding de kantonrechtersformule en een generieke korting daarop niet mogen worden toegepast.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage en verwijst de zaak voor verdere behandeling en beslissing terug naar het gerechtshof te Amsterdam. Tevens veroordeelt de Hoge Raad Delta in de kosten van het cassatiegeding.

De uitspraak benadrukt het belang van een individuele beoordeling van de ontslagvergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag en wijst het gebruik van standaardkortingen af.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling zonder toepassing van de kantonrechtersformule.

Uitspraak

22 oktober 2010
Eerste Kamer
09/01261
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
STICHTING DELTA PSYCHIATRISCH CENTRUM,
gevestigd te Poortugal, gemeente Albrandswaard,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Delta.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het rolnummer 692185 van de kantonrechter te Rotterdam van 19 mei 2006;
b. het arrest in de zaak 105.005.349/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 oktober 2008.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Delta is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van het bestreden arrest met verdere beslissingen als gebruikelijk.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Het gaat in deze zaak om de vraag welke vergoeding aan [eiser] toekomt wegens het hem gegeven ontslag, dat naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, kennelijk onredelijk is.
3.2 Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 27 november 2009, nr. 09/00978, LJN BJ6596, geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting waar het bij de vaststelling van de hoogte van de aan de werknemer toe te kennen schadevergoeding is uitgegaan van de zogeheten kantonrechtersformule minus 30%. De daarop gerichte klachten van de middelen slagen.
3.3 De overige klachten van de middelen behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 oktober 2008;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Amsterdam;
veroordeelt Delta in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.773,43 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 22 oktober 2010.