ECLI:NL:HR:2010:BO1618
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij verhuur pand met hennepkwekerij
In deze zaak stond de vraag centraal of de huurpenningen die betrokkene ontving van een huurder die in het gehuurde pand een hennepkwekerij exploiteerde, als wederrechtelijk verkregen voordeel konden worden aangemerkt.
Het hof had geoordeeld dat de huurovereenkomst was gesloten voordat de criminele activiteiten begonnen en dat betrokkene, ondanks kennis van de hennepkwekerij, de huurovereenkomst niet had beëindigd of de huurder niet had gesommeerd te stoppen. Dit leidde tot de conclusie dat er onvoldoende causaal verband bestond tussen de huurinkomsten en het strafbare feit.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie. De enkele omstandigheid dat betrokkene niet optrad na kennisname van de kwekerij maakt de huurpenningen niet tot wederrechtelijk verkregen voordeel.
De uitspraak benadrukt het belang van een duidelijk causaal verband tussen de strafbare gedraging en de vermogensvermeerdering om ontneming toe te passen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 7 december 2010.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de vordering tot ontneming van huurpenningen als wederrechtelijk verkregen voordeel.