ECLI:NL:HR:2010:BO5028
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Geen aftrek eigenwoningrente wegens niet aannemelijke bestemming binnen tweejaarstermijn
Belanghebbende kocht in 2002 een perceel met boerderij en financierde dit met een hypothecaire lening. In 2003 werd duidelijk dat het perceel nodig was voor watergangreconstructie, waarna belanghebbende het plan maakte de boerderij te slopen en een nieuwe woning te bouwen. In 2004 werd echter nog geen aanvang gemaakt met de bouw, en de bouwvergunning werd pas in 2008 aangevraagd en verleend.
De Inspecteur weigerde de renteaftrek over 2004 omdat het perceel en de boerderij niet als eigen woning konden worden aangemerkt volgens artikel 3.111 lid 3 Wet IB 2001. Zowel rechtbank als hof verklaarden het beroep ongegrond omdat niet aannemelijk was dat de woning binnen de wettelijke tweejaarstermijn als eigen woning zou worden gebruikt.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de cumulatieve eisen van artikel 3.111 lid 3 Wet IB 2001, met name de bestemming binnen twee jaar. Hierdoor kon de renteaftrek niet worden toegepast. De vraag of sprake was van een woning in aanbouw werd niet behandeld omdat aan de eerste voorwaarde niet was voldaan. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de woning binnen de tweejaarstermijn als eigen woning zou worden gebruikt.