Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
11. (…) kan de rente op de hypothecaire lening die eiser is aangegaan ter financiering van de aankoop van het perceel slechts voor aftrek in aanmerking komen indien het perceel kwalificeert als eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001. Volgens vaste jurisprudentie geeft artikel 3.111, derde lid, van de Wet IB 2001 een uitbreiding aan het begrip eigen woning (vergelijk Hoge Raad, 26 november 2010, nr. 10/01679, LJN: BO5028). Hierbij dient te worden voldaan aan twee cumulatieve eisen: er moet sprake zijn van een leegstaande woning of woning in aanbouw en het dient aannemelijk te zijn dat de woning uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in één van de daaropvolgende twee jaren als eigen woning in de zin van het eerste lid van artikel 3.111 Wet IB 2001 aan de belastingplichtige ter beschikking te staan.
3.Het geding in cassatie
a. de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld;
in aanbouwmoet worden verstaan. Is hieronder ook de bouwrijpe grond te scharen, waarop nog geen bouwwerkzaamheden zijn verricht, maar waarop wel binnen afzienbare tijd het nieuwe hoofdverblijf moet verrijzen? Zijn voorbereidingshandelingen, zoals afspraken met leveranciers, de architect en de aannemer reeds voldoende om de woning ‘in aanbouw’ te doen zijn, of is hiervan pas sprake vanaf het tijdstip waarop de heipalen de grond in gaan? Gelet op het spraakgebruik zeg ik het laatste: een braakliggend stuk bouwgrond, kan ik bezwaarlijk zien als een woning in aanbouw. Bouwtekeningen en intenties ten spijt. Gelet op de bedoeling kies ik echter voor het eerste: voorbereidingshandelingen geven de grond reeds de status van eigen woning in de zin van lid 3. De letter van de wet stel ik terzijde.
(…)