ECLI:NL:HR:2010:BO8466

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03723
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Invorderingswet 1990Art. 3:52 lid 1 onder c BWArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping cassatie in invorderingszaak fiscaal verhaal op bestuurder

In deze zaak stond centraal de vraag of de bestuurder terecht werd aangesproken door de Belastingdienst voor fiscale vorderingen, mede met toepassing van art. 36 lid 8 Invorderingswet Pro 1990. De bestuurder had in privé rechtshandelingen verricht met het oog op het verminderen van verhaalsmogelijkheden van de fiscus. De discussie betrof ook de aanvang van de verjaringstermijn volgens art. 3:52 lid 1 onder Pro c BW.

De zaak doorliep de rechtbank Alkmaar en het gerechtshof Amsterdam, waarbij het hof het standpunt van de fiscus bevestigde. Tegen dit arrest stelde de bestuurder beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het cassatieberoep werd verworpen en de kosten werden aan de bestuurder opgelegd.

Hiermee bevestigde de Hoge Raad de geldigheid van het fiscaal verhaal op de bestuurder en de toepassing van de relevante wettelijke bepalingen omtrent verjaring en verhaal.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de bestuurder wordt verworpen en de kosten worden aan hem opgelegd.

Uitspraak

24 december 2010
Eerste Kamer
09/03723
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST HOLLAND-NOORD, voorheen de ontvanger van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Hoorn,
mede kantoorhoudende te Hoorn,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Ontvanger.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 39424/HA ZA 99-380 van de rechtbank te Alkmaar van 5 september 2002 en 7 mei 2003;
b. het arrest in de zaak 106.001.175 van het gerechtshof te Amsterdam van 18 november 2008.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Ontvanger mede door mr. C.M. Bergman, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 december 2010.