ECLI:NL:HR:2011:BP2675
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onjuiste maatstaf bij afwijzing getuigenverzoek in voortbouwend appel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin een verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging in hoger beroep was afgewezen. De verdediging had meerdere getuigen verzocht te horen, waaronder opsporingsambtenaren en een melder van Stichting M, met het oog op het nader toelichten van relevante onderzoeksinformatie.
Het hof oordeelde dat de hoger beroepsprocedure een voortbouwend appel is, waarbij de behandeling zich in beginsel beperkt tot de geschilpunten die expliciet in hoger beroep zijn aangevoerd. Omdat de verdachte zelf geen hoger beroep had ingesteld tegen de bewezenverklaring, achtte het hof het verzoek tot het horen van getuigen niet noodzakelijk en wees het af. De verdediging had het verzoek deels ingetrokken, maar de Hoge Raad stelde vast dat dit oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk was.
De Hoge Raad benadrukte dat bij een hoger beroep ingesteld door het Openbaar Ministerie het verzoek tot het horen van getuigen moet worden beoordeeld aan de hand van de gronden genoemd in art. 288 Sv Pro en het noodzakelijkheidscriterium, waarbij het karakter van het voortbouwend appel kan worden betrokken. Het hof had echter de verkeerde maatstaf toegepast door het verzoek af te wijzen op grond van niet-noodzakelijkheid zonder de juiste wettelijke gronden toe te passen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep, waarbij het verzoek tot het horen van getuigen opnieuw moet worden beoordeeld volgens de juiste maatstaf.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep met correcte beoordeling van het getuigenverzoek.