Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
8 maart 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij de betrokkene was veroordeeld voor handel in cocaïne. De rechtbank had het ontnemingsbedrag vastgesteld op €158.562, gebaseerd op een berekening van het aantal unieke telefonische contacten en de periode waarin de handel plaatsvond.
De verdediging verzocht in hoger beroep om het horen van meerdere getuigen om de berekening van het ontnemingsbedrag aan te vechten, met name over het aantal transacties, de periode en openstaande schulden van afnemers. Het hof wees dit verzoek af wegens onvoldoende onderbouwing en motiveerde dat de gebruikte gegevens representatief en zorgvuldig waren geëxtrapoleerd.
De Hoge Raad toetste in cassatie uitsluitend de motivering van het hof omtrent het afwijzen van het getuigenverzoek en de beoordeling van het ontnemingsbedrag. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn beslissing begrijpelijk en toereikend had gemotiveerd, ook gelet op het karakter van het voortbouwend appel. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontnemingsbedrag van €158.562 blijft gehandhaafd.