ECLI:NL:PHR:2016:82

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 januari 2016
Publicatiedatum
8 maart 2016
Zaaknummer
15/01184
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SvArt. 288 SvArt. 410 SvArt. 415 SvArt. 418 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt ontnemingsuitspraak wegens onvoldoende motivering getuigenverzoek en openstaande rekeningen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin aan betrokkene een betalingsverplichting van € 50.000,- werd opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel.

De verdediging verzocht om het horen van diverse getuigen die konden verklaren over het aantal transacties, gebruikte telefoonnummers, prijzen en openstaande schulden van afnemers. Dit verzoek werd door het hof afgewezen met de motivering dat het onvoldoende was onderbouwd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het juiste toetsingskader (verdedigingsbelang) heeft toegepast, maar dat de motivering van de afwijzing onbegrijpelijk is, omdat de verdediging voldoende concrete gronden heeft aangevoerd.

Voorts stelde de verdediging dat verschillende afnemers nog schulden hadden openstaan, waardoor het wederrechtelijk verkregen voordeel lager zou zijn. Het hof verwierp dit standpunt zonder voldoende motivering, terwijl uit het dossier blijkt dat ten minste één afnemer een openstaande schuld van € 40,- had. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende motivering van het getuigenverzoek en de afwijzing van het standpunt over openstaande schulden.

Conclusie

Nr. 15/01184 P
Zitting: 12 januari 2016
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 26 februari 2015 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 50.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het door de raadsman van de betrokkene gedane verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur opgegeven getuigen onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.
4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) In januari 2013 zijn bij de politie de volgende personen gehoord: [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2], [getuige 6], [getuige 5], [getuige 4], [getuige 10], [getuige 7], [betrokkene 1] en [getuige 9]. [1] Ook de toenmalige vriendin van de betrokkene, [getuige 8], is (op 11 februari 2013) als getuige bij de politie gehoord. De afnemers [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 4] zijn tevens in de strafzaak tegen de betrokkene op de terechtzitting in eerste aanleg van 3 april 2013 als getuigen gehoord. Het hof heeft de op voornoemde terechtzitting afgelegde verklaringen van [getuige 1] (bewijsmiddel 2) en [getuige 2] (bewijsmiddel 3) voor het bewijs gebruikt. Het hof is, in navolging van de rechtbank, bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van het aantal telefonische contacten in de onderzoeksperiode (1 juli 2012 tot 18 januari 2013), met extrapolatie naar de bewezen verklaarde periode (1 januari 2012 tot 18 januari 2013).
(ii) De Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij uitspraak van 6 november 2014 aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd. Namens de betrokkene is op 11 november 2014 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak.
(iii) De raadsman van de betrokkene heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 21 november 2014 verzocht [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7] [2] , [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10] als getuigen te horen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Deze getuigen kunnen bevestigen dat de rechtbank bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een te groot aantal transacties en van een te ruime periode waarin die transacties zouden hebben plaatsgevonden. Bij het verhoor van deze getuigen dienen mede vragen te worden gesteld over de telefoonnummers, die de getuigen gebruikten bij hun contacten met de betrokkene. Tevens wenst de verdediging [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] vragen te stellen over de gehanteerde prijzen.
(iv) In aanvulling op het verzoek in de appelschriftuur heeft de raadsman bij faxbericht van 10 februari 2015, gericht aan het hof, het getuigenverzoek nader onderbouwd. De verdediging wenst [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 5] in het kader van de periode dat zij cocaïne van de betrokkene zouden hebben gekocht vragen te stellen over de hoeveelheid cocaïne die zij vóór en na 1 juli 2012 hebben gekocht, over het aantal telefonische contacten en over het telefoonnummer dat zij hebben gebruikt. [getuige 2] en [getuige 4] dienen te worden gehoord over hun telefonische contacten met de betrokkene en de daarbij gebruikte telefoonnummers, teneinde te kunnen onderbouwen dat de door de rechtbank toegepaste extrapolatiemethode ontoelaatbaar is. De verdediging wenst [getuige 6], [getuige 9] en [getuige 10] te ondervragen om aan te tonen dat hun telefonische contacten met de betrokkene ten onrechte zijn meegenomen bij de bepaling van het aantal transacties. De verdediging wenst [betrokkene 1] [3] vragen te stellen over zijn telefonische contacten met de betrokkene, die eveneens ten onrechte zijn meegenomen bij de berekening van het voordeel. Ten aanzien van [getuige 8] wordt opgemerkt dat haar verklaring van belang is om aan te tonen dat zij als ex-vriendin van de betrokkene regelmatig contact met de betrokkene heeft gehad op het desbetreffende telefoonnummer.
(v) De advocaat-generaal bij het hof heeft voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep niet schriftelijk gereageerd op het getuigenverzoek van de raadsman.
(vi) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2015, heeft de raadsman van de betrokkene verzocht de in de appelschriftuur genoemde getuigen te horen, met dien verstande dat hij (overeenkomstig zijn faxbericht van 10 februari 2015) [betrokkene 1] in plaats van [getuige 7] wenst te horen. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek het volgende aangevoerd. Het door de rechtbank geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel is niet correct vanwege de gehanteerde periode en de daarbij betrokken intensiteit, terwijl uit het strafdossier blijkt dat er nog openstaande rekeningen zijn. De raadsman wenst aan de afnemers vragen te stellen over de bedragen die zij uit hebben staan bij de betrokkene en die zij nog niet aan hem hebben terugbetaald (openstaande rekeningen), aangezien deze bedragen niet kunnen worden meegerekend bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voorts wil de raadsman de getuigen horen om een reële schatting te kunnen maken van het aantal leveringen.
(vii) In reactie op dit verzoek heeft de advocaat-generaal bij het hof op voornoemde terechtzitting aangegeven dat het getuigenverzoek van de raadsman moet worden afgewezen, aangezien het horen van de gevraagde getuigen niet noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing. Volgens de advocaat-generaal is niet het criterium van het verdedigingsbelang maar het noodzaakcriterium van toepassing, nu het tijdig ingediende verzoek tot het horen van de getuigen veel te summier is onderbouwd en het concreter onderbouwde verzoek dateert van 10 februari 2015.
(viii) De raadsman heeft hierop ter terechtzitting gereageerd met de mededeling dat op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad het criterium van het verdedigingsbelang het toe te passen criterium is, aangezien de appelmemorie en de daarin vervatte getuigenverzoeken voldoen aan alle gestelde eisen. De raadsman acht het in het belang van de verdediging en noodzakelijk om de gevraagde getuigen te horen.
(x) Het hof heeft op voornoemde terechtzitting het verzoek van de raadsman tot het horen van de verzochte getuigen afgewezen en daartoe het volgende overwogen. Hoewel het hof het verdedigingscriterium van toepassing acht, mag op basis van de in het dossier aanwezige printgegevens, gesprekscontacten en weergegeven gesprekken een uitgebreidere onderbouwing verwacht worden (ten aanzien van de vraag) waarom de gevraagde getuigen in het kader van deze ontnemingsprocedure gehoord zouden moeten worden, terwijl deze onderbouwing ontbreekt.
5. Het bij appelschriftuur van 21 november 2014 gedane, bij faxbericht van 10 februari 2015 nader onderbouwde en op de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2015 herhaalde verzoek van de raadsman van de betrokkene om de afnemers c.q. kennissen [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [betrokkene 1], [getuige 9] en [getuige 10] en de ex-vriendin van de betrokkene [getuige 8] als getuigen te horen, is een verzoek zoals bedoeld in art. 287, derde lid, onder a, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv en art. 511g, tweede lid, Sv. In aanmerking genomen dat deze getuigen namens de betrokkene bij (tijdig ingediende) appelschriftuur zijn opgegeven en de getuigen niet op de terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris zijn gehoord, is de maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek ingevolge art. 288, eerste lid, onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv en art. 511g, tweede lid, Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de betrokkene door het afzien van de oproeping van de getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad. [4]
6. Aan de toepasselijkheid van de maatstaf van het verdedigingsbelang doet niet af dat de raadsman zijn getuigenverzoek in zijn appelschriftuur slechts summier heeft onderbouwd en dat hij dit verzoek vóór de terechtzitting in hoger beroep nader heeft toegelicht. Daarbij merk ik nog op dat de tijdig ingediende appelschriftuur niet alleen een overzicht van nader aangeduide getuigen die de verdediging wenste te horen bevat, maar ook een motivering van het verzoek. De raadsman wenste de getuigen te horen over het aantal transacties, de transactieperiode, de gebruikte telefoonnummers en de gehanteerde prijzen. Daarmee kan de appelschriftuur worden aangemerkt als een - voldoende stellige en duidelijke - opgave van getuigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv. [5] Ook de omstandigheid dat een aantal getuigen in de samenhangende strafzaak tegen de betrokkene op de terechtzitting in eerste aanleg reeds als getuigen is gehoord, brengt niet mee dat ten aanzien van die getuigen in de onderhavige ontnemingszaak het noodzakelijkheidscriterium zou moeten gelden. [6]
7. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 4 sub x is weergegeven - voornoemd verzoek met toepassing van het verdedigingscriterium afgewezen. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarover klaagt het middel terecht niet.
8. Ten aanzien van de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, kan het volgende worden voorop gesteld. Alleen dan kan worden gezegd dat de betrokkene door de afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuigen kunnen verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de zaak te nemen beslissing dan wel indien redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat de getuigen iets over bedoelde punten zouden kunnen verklaren. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [7]
9. In ontnemingszaken geldt voorts dat het specifieke karakter van de ontnemingsprocedure en de in dat verband geldende bewijslastverdeling consequenties heeft voor de toepassing van de voornoemde maatstaf. Aan de onderbouwing van een verzoek mogen, al naar gelang de aard en de omvang van het reeds aanwezige materiaal en het verloop van de procedure tot dan toe, zwaardere eisen worden gesteld, waarbij mede van belang is in hoeverre de rechter het standpunt van het openbaar ministerie in het licht van de van die zijde verschafte gegevens en berekeningen voorshands aannemelijk acht. [8]
10. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd dat hij de getuigen wil horen over het aantal transacties, de omstandigheid dat bepaalde telefonische contacten met de betrokkene ten onrechte zijn meegenomen bij bepaling van het aantal transacties, de periode waarin de transacties zouden hebben plaatsgevonden en het feit dat sommige afnemers nog openstaande rekeningen hadden bij de betrokkene. Het verzoek is onder meer gedaan in het kader van het door de raadsman in hoger beroep gevoerde verweer, inhoudende dat verschillende afnemers een betalingsachterstand hadden, zodat die bedragen niet kunnen worden meegenomen bij het behaalde voordeel. Het hof heeft dit verweer verworpen op de grond dat de betrokkene het bestaan van openstaande rekeningen op geen enkele wijze heeft onderbouwd en dat dit ook niet op andere wijze aannemelijk is geworden. Mede in het licht van deze overweging, is niet zonder meer begrijpelijk dat het hof de verdediging de gelegenheid heeft onthouden door middel van het horen van getuigen te trachten haar stelling nader te onderbouwen. De raadsman wilde een deel van de gevraagde getuigen (de afnemers) immers juist vragen stellen over het bestaan van deze openstaande rekeningen. Daarbij komt dat uit de inhoud van bewijsmiddel 4, dat hierna bij de bespreking van het tweede middel wordt weergegeven, blijkt dat de desbetreffende getuige [getuige 2] een openstaande schuld bij de betrokkene had. Het verzoek stond voorts in het teken van het verweer dat de telefonische contacten die de betrokkene had niet alleen betrekking hadden op drugstransacties. Het hof heeft in reactie op dit verweer overwogen dat de stelling van de betrokkene dat hij met het desbetreffende telefoonnummer ook vaak zijn (ex-)vriendin heeft gebeld en dat die contacten dus niet drugs gerelateerd zijn, wordt verworpen op de grond dat de betrokkene deze blote stelling niet heeft onderbouwd en dat de stelling daarom niet aannemelijk is geworden. Ook in dit verband merk ik op dat de raadsman (in ieder geval) één van de gevraagde getuigen (zijn ex-vriendin [getuige 8]) juist vragen wilde stellen over het bestaan van deze niet drugs gerelateerde telefonische contacten.
11. Het hof heeft aan zijn afwijzende beslissing niet ten grondslag gelegd dat redelijkerwijze kan worden uitgesloten dat de getuigen iets over bedoelde punten zouden kunnen verklaren. Het hof heeft zijn oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de betrokkene door het afzien van de oproeping van de getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad, slechts gemotiveerd met de overweging dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Op basis van de in het dossier aanwezige printgegevens, gesprekscontacten en weergegeven gesprekken mocht volgens het hof een uitgebreidere onderbouwing worden verwacht ten aanzien van de vraag waarom de verzochte getuigen in het kader van deze ontnemingsprocedure gehoord zouden moeten worden. Gelet op de onderbouwing van het verzoek in de appelschriftuur, in samenhang bezien met het faxbericht van de raadsman van 10 februari 2015 en met hetgeen de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, acht ik dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij heeft de raadsman naast de hiervoor reeds besproken gronden voor zijn getuigenverzoek, inhoudende dat hij de getuigen wenste te horen vanwege openstaande rekeningen van afnemers en niet drugs gerelateerde telefonische contacten met zijn ex-vriendin, aangegeven dat hij de getuigen ook wilde horen over het aantal transacties, de omstandigheid dat bepaalde telefonische contacten met kennissen van de verdachte niet drugs gerelateerd waren, de periode waarin de transacties zouden hebben plaatsgevonden, de gebruikte telefoonnummers en de gehanteerde prijzen. Het oordeel van het hof dat de raadsman zijn getuigenverzoek onvoldoende heeft onderbouwd, is daarmee niet te rijmen, ook als daarbij de specifieke eisen die in ontnemingszaken aan de onderbouwing van getuigenverzoeken mogen worden gesteld in aanmerking worden genomen. Gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, kan bezwaarlijk worden volgehouden dat het verzoek zo summier is onderbouwd dat het hof buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. [9] Daarbij merk ik nog op dat de gronden waarop het getuigenverzoek steunt rechtstreeks samenhangen met de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
12. In het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad niet begrijpelijk. [10]
13. Het middel slaagt.
14. Het
tweede middelbevat de klacht dat het hof het door de verdediging gevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat het wederrechtelijk verkregen voordeel lager is nu verschillende afnemers nog schulden hadden openstaan bij de betrokkene, in het licht van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, onvoldoende met redenen omkleed heeft verworpen.
15. Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene geschat op € 158.562,- en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd van € 50.000,-. Daartoe heeft het hof onder “de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel” het volgende overwogen:
“De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2013 (parketnummer 16-702049-12) terzake van - voorzover voor de ontnemingsvordering van belang - handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 158.562,00.
De rechtbank heeft de volgende berekening gehanteerd, welke het hof, evenals de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, overneemt en tot de zijne maakt:
“De rechtbank gaat uit van de door de officier van justitie bij conclusie van repliek overgelegde printlijsten (...).
Extrapolatie aantal verschillende telefoonnummers.
Uit de printlijsten volgt dat met het bij veroordeelde in gebruik zijnde telefoonnummer 06-[001] in de onderzoeksperiode - te weten van 1 juli 2012 tot 18 januari 2013 - 15.386 keer contact is geweest. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank dan ook van dit aantal contacten uit. Verder geldt dat het openbaar ministerie genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat ten gevolge van een brand bij het datacentrum slechts van 7991 van die contacten een tegennummer kon worden verstrekt. Alleen voor die contacten kan dus exact worden vastgesteld wat het gemiddeld aantal verschillende contacten per dag was, namelijk 10,5 contacten. Van de overige 7395 contacten kan dit dus niet exact worden vastgesteld. Naar redelijkheid en billijkheid is het verantwoord om het voor de 7991 contacten berekende gemiddeld aantal verschillende telefooncontacten per dag (10,5) eveneens te hanteren voor de rest van de 7395 contacten (10,2). Daarvoor is van belang dat het gedeelte van de contacten waar wel precieze gegevens over bekend zijn, een representatief gedeelte van de contacten betreft - te weten meer dan de helft - en dat een totaal aantal van 20.7 (10,5 + 10,2) afnemers per dag past bij het beeld van het bij aanhouding van [betrokkene] aangetroffen aantal wikkels (31 stuks), het onder hem in beslag genomen contante geld ter waarde van € 1.135,00 en de hoeveelheid losse verpakkingen (2940) zoals die bij de doorzoeking van de woning van [betrokkene] zijn aangetroffen. Het verweer dat slechts van een gemiddeld aantal van 10,5 contacten mag worden uitgegaan wordt dus verworpen.
De stelling van veroordeelde dat hij met het nummer 06-81133222 ook (vaak) zijn vriendin heeft gebeld en dat die contacten dus niet drugs gerelateerd zijn wordt ook verworpen. [betrokkene] heeft deze blote stelling niet onderbouwd en dit is daarom ook niet aannemelijk geworden.
Periode
Met betrekking tot de berekening van de periode waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen gaat de rechtbank uit van de in de ontnemingsrapportage genoemde periode van 1 januari 2012 tot 18 januari 2013. De rechtbank heeft bij vonnis van 26 juni 2013 bewezen verklaard dat [betrokkene] in die periode in cocaïne heeft gehandeld. Deze periode is niet door de verdediging weersproken of betwist en de rechtbank zal dan ook van die periode uitgaan.
Extrapolatie
Het verweer dat de extrapolatie van de onderzoeksperiode naar de genoemde bewezenverklaarde periode van 1 januari 2012 tot 18 januari 2013 ontoelaatbaar is, faalt eveneens. Deze extrapolatie is namelijk verantwoord, nu ten eerste de onderzochte periode, gelet op de duur daarvan en het constante beeld dat het gemiddeld aantal gesprekken per dag laat zien als representatief gekenschetst dient te worden. Ten tweede volgt uit de in genoemd vonnis als bewijsmiddel gebruikte getuigenverklaring van [getuige 1] dat hij al vanaf januari 2012 bij [betrokkene] cocaïne koopt en uit de op 24 januari 2013 afgelegde getuigenverklaring van [getuige 2] dat hij al gedurende negen jaar bij [betrokkene] cocaïne koopt. Tot slot wordt overwogen dat [betrokkene], voor zover hij heeft willen betogen dat hij in de periode waarover geen telefoongegevens beschikbaar zijn minder afnemers heeft gehad, deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
Opbrengst
In de ontnemingsrapportage is opgenomen dat het merendeel van de afnemers verklaarde over de afname van 1 gram cocaïne per keer à € 40.00. Voor de bewezenverklaarde periode van 1 januari 2012 tot en met 18 januari 2013 betekent dit een opbrengst van: 383 dagen x 20,7 contacten x € 40.00 = €317.124,00.
Kosten
De kosten worden in de ontnemingsrapportage op 50% van de omzet gesteld. De stelling dat veroordeelde een inkoopprijs van € 32,00 tot € 36.00 betaalde is niet onderbouwd en zal door de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten.
De inkoopkosten van de bij veroordeelde aangetroffen 42 gram cocaïne kunnen niet van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgetrokken. In jurisprudentie is reeds uitgemaakt dat uitsluitend die kosten leiden tot aftrek die tot een voordeel hebben geleid.
Van de 42 gram cocaïne kan niet worden gezegd dat dit tot een voordeel voor verdachte heeft geleid.
Conclusie
Opbrengst: €317.124,00
Kosten: €158.562,00 -/-
--------------------------------------------
Voordeel: €158.562,00
Zoals blijkt uit het voorgaande handhaaft het hof de door de rechtbank toegepaste extrapolatie van het aantal verschillende telefoonnummers en de extrapolatie van de onderzoeksperiode naar de bewezenverklaarde periode. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat het verantwoord is deze extrapolaties toe te passen ter schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Door de verdediging is bepleit dat in de strafzaak een aantal getuigen op een later moment een verklaring heeft afgelegd, waarin is teruggekomen op eerdere verklaringen, hetgeen naar de mening van de verdediging dient te resulteren in minder leveringen. Het hof is van oordeel dat die latere verklaringen niet wezenlijk afdoen aan het grote aantal contacten dat verdachte had, waarbij van belang is dat bij de berekening is uitgegaan van unieke contacten per dag, zodat dubbeltellingen zijn uitgesloten (zie p. 7 van het ontnemingsrapport).
Evenmin is aannemelijk geworden dat, naar de verdediging heeft gesteld, “de handel in drugs” niet gedurende de gehele onderzoeksperiode een zelfde verloop zou hebben gehad, nu er sprake is geweest van een opstartfase met minder leveringen per dag. Op grond van de op p. 8 van het ontnemingsrapport genoemde aanwijzingen daarvoor acht het hof het aannemelijk dat veroordeelde al geruime tijd voorafgaand aan de onderzoeksperiode drugs verhandelde.
Door de verdediging is voorts nog bepleit dat meerdere afnemers nog te betalen bedragen hebben open staan bij veroordeelde, zodat die bedragen niet kunnen worden meegenomen bij het behaalde voordeel. Veroordeelde heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd en dit is ook niet op een andere wijze aannemelijk geworden. Het hof verwerpt derhalve dit verweer. Evenmin heeft veroordeelde beweerdelijke kosten, zoals benzine- en telefoonkosten onderbouwd, zodat het hof hiermee geen rekening houdt.”
16. Het hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene onder meer aan het volgende bewijsmiddel ontleend:
(iv) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 25 januari 2013, opgemaakt door de opsporingsambtenaar P.H.T.A. Smits, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
“Op 18 januari 2013 vond er een doorzoeking plaats in de woning van verdachte [betrokkene]. Bij deze doorzoeking werden meerdere goederen in beslag genomen. Bij de doorzoeking werd een blocnote met namen en bedragen erop geschreven en een identiteitskaart van de getuige [getuige 2] in beslag genomen.
Op 24 januari 2013 werd de getuige [getuige 2] gehoord. Desgevraagd verklaarde getuige [getuige 2] dat hij een schuld open had staan bij verdachte [betrokkene] van 40 euro en dat hij zijn identiteitskaart als onderpand had afgegeven.
De voornaam van getuige [getuige 2] is [voornaam]. Op de namenlijst op de blocnote staat achter de naam [voornaam] een bedrag geschreven van 40 euro.”
17. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de raadsman van de betrokkene betoogd dat uit het strafdossier blijkt dat er nog openstaande rekeningen zijn en dat de bedragen die afnemers nog niet aan de betrokkene hebben betaald niet kunnen worden meegerekend bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft dit betoog kennelijk opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en in het bijzonder de redenen opgegeven waarom het hof tot een van dit standpunt afwijkend oordeel is gekomen. Deze uitleg van het betoog staat in cassatie niet ter discussie.
18. Aan het slot van de hiervoor onder 15 weergegeven overwegingen heeft het hof in reactie op voornoemd verweer overwogen dat de betrokkene deze openstaande rekeningen op geen enkele wijze heeft onderbouwd en dat het bestaan daarvan evenmin op een andere wijze aannemelijk is geworden.
19. Gelet op hetgeen de raadsman van de betrokkene heeft aangevoerd en in het licht van de bewijsconstructie van het hof, is dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. Uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen van de politie van 25 januari 2013 (bewijsmiddel 4) kan worden afgeleid dat de afnemer [getuige 2] naar aanleiding van een levering van cocaïne aan hem door de betrokkene een openstaande rekening van € 40,- had bij de betrokkene. De overweging van het hof dat het bestaan van openstaande rekeningen van afnemers niet op “een andere wijze” aannemelijk is geworden, staat daarmee op gespannen voet. Voor zover het hof daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat niet aannemelijk is geworden dat meer dan één afnemer een rekening heeft openstaan, geldt het volgende. De raadsman van de betrokkene heeft verzocht verschillende personen, die cocaïne van de betrokkene hebben afgenomen, als getuigen te horen, teneinde deze afnemers (onder meer) vragen te stellen over bedragen die zij uit hebben staan bij de betrokkene en die zij nog niet aan de betrokkene hebben terugbetaald. Zoals bij de bespreking van het eerste middel uiteen is gezet, heeft het hof dit verzoek op onbegrijpelijke wijze afgewezen. Dat de betrokkene de openstaande rekeningen van de afnemers op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zoals het hof heeft overwogen, is mede in het licht van de afwijzing van het daarop betrekking hebbende getuigenverzoek niet zonder meer begrijpelijk.
20. Het middel slaagt.
21. Beide middelen slagen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.[getuige 1], [getuige 3], [getuige 7] en [betrokkene 1] zijn bij de politie als verdachten gehoord. De andere personen zijn als getuigen gehoord.
2.De appelschriftuur vermeldt bij kennelijke vergissing [getuige 7] als naam van deze getuige, terwijl deze persoon in de processen-verbaal van verhoor van de politie van 18 januari 2013 is aangeduid als [getuige 7].
3.De nadere toelichting op de appelschriftuur van 10 februari 2015 vermeldt dat de in de appelschriftuur genoemde getuige [getuige 7] “een persoonsverwisseling” betreft met [betrokkene 1].
4.Vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7346, rov. 2.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1585, rov. 3.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1584, rov. 2.3 en HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1726,
5.Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
6.Vgl. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:672) voorafgaand aan HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1339 (art. 81 RO Pro). Zie in dezelfde zin de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken van 22 december 2015 in de zaak met zaaknummer 14/04885 (niet gepubliceerd). De Hoge Raad heeft in deze zaak nog geen uitspraak gedaan.
7.Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
8.Vgl. HR 19 februari 2008, rov. 3.4, ECLI:NL:HR:2008:BC4464, rov. 3.4 en HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8950,
9.Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
10.Vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3355, rov. 2 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:708, rov. 2.