4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) In januari 2013 zijn bij de politie de volgende personen gehoord: [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2], [getuige 6], [getuige 5], [getuige 4], [getuige 10], [getuige 7], [betrokkene 1] en [getuige 9].Ook de toenmalige vriendin van de betrokkene, [getuige 8], is (op 11 februari 2013) als getuige bij de politie gehoord. De afnemers [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 4] zijn tevens in de strafzaak tegen de betrokkene op de terechtzitting in eerste aanleg van 3 april 2013 als getuigen gehoord. Het hof heeft de op voornoemde terechtzitting afgelegde verklaringen van [getuige 1] (bewijsmiddel 2) en [getuige 2] (bewijsmiddel 3) voor het bewijs gebruikt. Het hof is, in navolging van de rechtbank, bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van het aantal telefonische contacten in de onderzoeksperiode (1 juli 2012 tot 18 januari 2013), met extrapolatie naar de bewezen verklaarde periode (1 januari 2012 tot 18 januari 2013).
(ii) De Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij uitspraak van 6 november 2014 aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd. Namens de betrokkene is op 11 november 2014 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak.
(iii) De raadsman van de betrokkene heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 21 november 2014 verzocht [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10] als getuigen te horen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Deze getuigen kunnen bevestigen dat de rechtbank bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een te groot aantal transacties en van een te ruime periode waarin die transacties zouden hebben plaatsgevonden. Bij het verhoor van deze getuigen dienen mede vragen te worden gesteld over de telefoonnummers, die de getuigen gebruikten bij hun contacten met de betrokkene. Tevens wenst de verdediging [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] vragen te stellen over de gehanteerde prijzen.
(iv) In aanvulling op het verzoek in de appelschriftuur heeft de raadsman bij faxbericht van 10 februari 2015, gericht aan het hof, het getuigenverzoek nader onderbouwd. De verdediging wenst [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 5] in het kader van de periode dat zij cocaïne van de betrokkene zouden hebben gekocht vragen te stellen over de hoeveelheid cocaïne die zij vóór en na 1 juli 2012 hebben gekocht, over het aantal telefonische contacten en over het telefoonnummer dat zij hebben gebruikt. [getuige 2] en [getuige 4] dienen te worden gehoord over hun telefonische contacten met de betrokkene en de daarbij gebruikte telefoonnummers, teneinde te kunnen onderbouwen dat de door de rechtbank toegepaste extrapolatiemethode ontoelaatbaar is. De verdediging wenst [getuige 6], [getuige 9] en [getuige 10] te ondervragen om aan te tonen dat hun telefonische contacten met de betrokkene ten onrechte zijn meegenomen bij de bepaling van het aantal transacties. De verdediging wenst [betrokkene 1]vragen te stellen over zijn telefonische contacten met de betrokkene, die eveneens ten onrechte zijn meegenomen bij de berekening van het voordeel. Ten aanzien van [getuige 8] wordt opgemerkt dat haar verklaring van belang is om aan te tonen dat zij als ex-vriendin van de betrokkene regelmatig contact met de betrokkene heeft gehad op het desbetreffende telefoonnummer.
(v) De advocaat-generaal bij het hof heeft voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep niet schriftelijk gereageerd op het getuigenverzoek van de raadsman.
(vi) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2015, heeft de raadsman van de betrokkene verzocht de in de appelschriftuur genoemde getuigen te horen, met dien verstande dat hij (overeenkomstig zijn faxbericht van 10 februari 2015) [betrokkene 1] in plaats van [getuige 7] wenst te horen. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek het volgende aangevoerd. Het door de rechtbank geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel is niet correct vanwege de gehanteerde periode en de daarbij betrokken intensiteit, terwijl uit het strafdossier blijkt dat er nog openstaande rekeningen zijn. De raadsman wenst aan de afnemers vragen te stellen over de bedragen die zij uit hebben staan bij de betrokkene en die zij nog niet aan hem hebben terugbetaald (openstaande rekeningen), aangezien deze bedragen niet kunnen worden meegerekend bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voorts wil de raadsman de getuigen horen om een reële schatting te kunnen maken van het aantal leveringen.
(vii) In reactie op dit verzoek heeft de advocaat-generaal bij het hof op voornoemde terechtzitting aangegeven dat het getuigenverzoek van de raadsman moet worden afgewezen, aangezien het horen van de gevraagde getuigen niet noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing. Volgens de advocaat-generaal is niet het criterium van het verdedigingsbelang maar het noodzaakcriterium van toepassing, nu het tijdig ingediende verzoek tot het horen van de getuigen veel te summier is onderbouwd en het concreter onderbouwde verzoek dateert van 10 februari 2015.
(viii) De raadsman heeft hierop ter terechtzitting gereageerd met de mededeling dat op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad het criterium van het verdedigingsbelang het toe te passen criterium is, aangezien de appelmemorie en de daarin vervatte getuigenverzoeken voldoen aan alle gestelde eisen. De raadsman acht het in het belang van de verdediging en noodzakelijk om de gevraagde getuigen te horen.
(x) Het hof heeft op voornoemde terechtzitting het verzoek van de raadsman tot het horen van de verzochte getuigen afgewezen en daartoe het volgende overwogen. Hoewel het hof het verdedigingscriterium van toepassing acht, mag op basis van de in het dossier aanwezige printgegevens, gesprekscontacten en weergegeven gesprekken een uitgebreidere onderbouwing verwacht worden (ten aanzien van de vraag) waarom de gevraagde getuigen in het kader van deze ontnemingsprocedure gehoord zouden moeten worden, terwijl deze onderbouwing ontbreekt.