Conclusie
Inleiding
Het eerste en het tweede middel (vertrouwensbeginsel en appelschriftuur)
alleengericht tegen deze vrijspraak.
Het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep
De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep tegen het onder feit 2 tenlastegelegde, nu het openbaar ministerie in eerste aanleg heeft gerekwireerd tot vrijspraak van feit 2 en het openbaar ministerie derhalve geen belang (meer) heeft in de vervolging.
tweedetenlastegelegde feit geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv Pro heeft ingediend, nu in de ingediende schriftuur uitdrukkelijk te kennen is gegeven dat de grieven slechts op het eerste tenlastegelegde feit betrekking hebben. Deze beperkte opvatting van wat een schriftuur houdende middelen is – die erop neerkomt dat een schriftuur houdende middelen slechts als zodanig kan worden aangemerkt voor zover in het schriftelijke stuk bezwaren zijn geformuleerd ten aanzien van de feiten die daarin zijn opgenomen – vindt, mede gelet op hetgeen ik hierboven heb opgemerkt, geen steun in het recht. Zou deze beperkte opvatting van de steller van het middel worden gevolgd, dan leidt dat ertoe dat met de appelschriftuur toch nog de omvang van het hoger beroep kan worden beperkt terwijl, als eerder opgemerkt, zij daarvoor niet is bedoeld. De functie van de appelschriftuur is vooral de appellerende partij aan te sporen tot het (actief) uiteenzetten van de bezwaren tegen het gewezen vonnis. Als gezegd ligt in de ratio van het voortbouwend appel besloten dat de rechter tijdens de behandeling van de zaak het onderzoek op die bezwaren kan concentreren, maar dit eventueel ook kan uitbreiden met bezwaren die ter terechtzitting blijken en aldaar mondeling naar voren worden gebracht. Hoe dan ook, bij tijdige indiening van een appelschriftuur ontbreekt een wettelijke grondslag om het openbaar ministerie op de door de steller van het middel aangevoerde argumenten niet-ontvankelijk te verklaren.
Het derde middel (verduistering)
Ten aanzien van feit 3Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde,
Adres: [g-straat 1]
A: Ik heb deze vorige week gevonden (...).
V: Heb jij je kameraden gevraagd of zij de persoon op de ID kaart kennen?
A: Nee, niet gevraagd.
14. De verklaring van de verdachte afgelegd ter zitting van de rechtbank Midden-Nederland op 21 maart 2017 voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
NJ2006/127. In die zaak waren op 22 februari 2002 een Visa card op naam van A en een Euro/Mastercard op naam van B bij de verdachte aangetroffen tijdens de insluitingsfouillering; deze creditcards zaten in de daarvoor bestemde vakjes van zijn portemonnee. De verdachte had als verklaring daarvoor gegeven dat hij deze creditcards had gevonden. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet wanneer de verdachte de creditcards zou hebben gevonden en evenmin hoe lang hij deze al bij zich droeg. Wel kan uit de bewijsmiddelen worden opgemaakt dat de Visacard als gestolen was opgegeven en dat met deze creditcard op 17 februari 2002 twee pogingen tot frauduleuze transacties hadden plaatsgevonden. De Euro/Mastercard was verzonden vanuit Engeland, maar B had deze niet ontvangen. Vermoedelijk was deze creditcard ergens in het verzendtraject ontvreemd. In ieder geval waren daarmee 44 geslaagde frauduleuze transacties verricht; in de bewijsmiddelen wordt daarbij geen datum genoemd. Het hof veroordeelde de verdachte voor verduistering en overwoog:
NJ2006/127. In het licht van de periode van anderhalf week, die ik (anders dan het hof) gezien de rechtspraak van de Hoge Raad te dezen nog betrekkelijk kort zou willen noemen, zie ik in die tweede grond geen overtuigend argument gelegen dat meebrengt dat deze omstandigheid kan bijdragen tot het oordeel dat de verdachte, met een wil tot toe-eigening, als ‘heer en meester’ over het goed is gaan beschikken. Waarom zou iemand een gevonden identiteitsbewijs niet in zijn portemonnee opbergen om te voorkomen dat het kwijtraakt of breekt?