ECLI:NL:HR:2011:BP4394
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring ontucht met minderjarigen aan waakzaamheid verdachte toevertrouwd
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin hij werd veroordeeld voor ontuchtige handelingen met twee minderjarige jongens die aan zijn waakzaamheid waren toevertrouwd. Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte tussen 1994 en 2000 meerdere malen ontucht heeft gepleegd met de minderjarigen, waaronder penetratie en andere seksuele handelingen.
De bewezenverklaring steunt op uitgebreide bewijsmiddelen, waaronder aangiftes, politieverklaringen, getuigenverklaringen, en verklaringen van de slachtoffers zelf, die elkaar in belangrijke mate bevestigen. De slachtoffers zagen verdachte als een vaderfiguur en waren zonder vader, wat het machts- en overwichtskarakter van de gedragingen versterkt.
De verdediging voerde onder meer aan dat de bewezenverklaring ontoereikend was omdat niet zou zijn vastgesteld dat de minderjarigen aan de waakzaamheid van verdachte waren toevertrouwd in de zin van artikel 249 Sr Pro. De Hoge Raad oordeelt dat deze opvatting onjuist is en dat het hof voldoende gemotiveerd heeft dat sprake was van toevertrouwing zonder dat expliciete toestemming van ouders vereist is.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft. De Hoge Raad acht geen aanleiding tot nadere motivering omdat het middel niet leidt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bewezenverklaring van ontuchtige handelingen met minderjarigen aan de waakzaamheid van verdachte toevertrouwd.