AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad herstelt misslag bij voorwaardelijke strafoplegging en verduidelijkt zorgtoevertrouwing minderjarige
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin de verdachte werd veroordeeld voor ontuchtige handelingen met een minderjarige die aan zijn zorg was toevertrouwd. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden waaronder reclasseringstoezicht.
De verdediging stelde onder meer dat de minderjarige niet aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd, maar de Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat op grond van de gezinssituatie sprake was van toevertrouwing aan de verdachte. Daarnaast werd betwist of de algemene identificatievoorwaarde van art. 14c Sr ten onrechte was toegepast, en of de duur van het reclasseringstoezicht de proeftijd mocht overschrijden.
De Hoge Raad oordeelde dat de identificatievoorwaarde abusievelijk in het arrest was opgenomen en geen verplichting voor de verdachte schept. Wel vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het reclasseringstoezicht werd gesteld op maximaal twee jaar vanaf de detentiedatum, omdat dit de duur van de proeftijd overschreed. De Hoge Raad herstelde deze misslag door de maximale duur te beperken tot de resterende duur van de proeftijd. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Uitkomst: Het arrest is vernietigd voor zover het reclasseringstoezicht buiten de proeftijd werd gesteld en hersteld door beperking tot de resterende proeftijd, voor het overige is het beroep verworpen.
Voetnoten
1.Vgl. A.J. Machielse in Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.),
2.Vgl. HR 22 maart 1988, NJ 1988/860, rov. 5.2.
3.Vgl. HR 8 juni 1999, NJ 1999/590, rov. 3.4.
4.Vgl. HR 7 januari 1997, NJ 1997/361, m.nt. ’t Hart, rov. 4.2.
5.Vgl. HR 22 maart 1988, NJ 1988/860.
7.Stb. 2009, 317 in verbinding met Stb. 2010, 152.
8.Stb. 2011, 545 in verbinding met Stb. 2011, 615.
9.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0502, NJ 2013/113 (derde middel, Hoge Raad laat dit middel buiten bespreking). 10.Zie EHRM 17 september 2009, EHRC 2009, 123 m.nt. Spronken en Peristeridou, AB 2010, 102 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik.
13.Vgl. F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde, Deventer 1996, p. 81 e.v.
14.Vgl.
15.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 8 november 2011, LJN BU3800, Gerechtshof 's-Gravenhage 8 november 2011, LJN BV6059, Gerechtshof Arnhem 20 oktober 2011, LJN BT8721, Rechtbank Rotterdam 5 februari 2013, LJN BZ1071, Rechtbank Maastricht 22 november 2011, LJN BU5662, Rechtbank Almelo 28 oktober 2011, LJN BU2161 en Rechtbank 's-Hertogenbosch 16 mei 2011, LJN BQ4645.
16.Zie HR 8 juni 1993, NJ 1993/746, rov. 4.6.
18.Op overeenkomstige wijze als bij de bespreking van het tweede middel is uiteengezet ten aanzien van art. 14c, eerste lid, Sr, dient ook bij de toepassing van art. 14c, tweede lid, Sr te worden uitgegaan van de tekst zoals die luidde ten tijde van het begaan van de feiten.