Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van feit 2 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat [slachtoffer] in de bewezen verklaarde periode “aan de zorg en waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd” in de zin van art. 249 Sr Pro.
tweede middelbevat de klacht dat het hof in strijd met art. 14c (oud) Sr heeft bepaald dat als algemene voorwaarde tevens geldt dat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van tien maanden ook ten uitvoer kan worden gelegd, indien de verdachte voor het einde van de proeftijd geen medewerking heeft verleend aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden (hierna: de identificatievoorwaarde).
derde middelbehelst de klacht het hof in strijd met art. 14c (oud) Sr heeft bepaald dat de verdachte zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode van maximaal twee jaren dient te blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering dit nodig acht (hierna: reclasseringstoezicht), nu het hof die periode van twee jaren laat ingaan op de dag volgend op de einddatum van zijn detentie, terwijl art. 14c, tweede lid, onder 5°, (oud) Sr de duur van een dergelijke bijzondere voorwaarde maximeert op de duur van de proeftijd.