ECLI:NL:HR:2011:BP6593
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over herziening omzetbelasting bij gedeeltelijke verhuur met vrijstelling
Belanghebbende, een ondernemer, liet een kantoorpand met vier etages bouwen waarvan de eerste drie etages vanaf 1 november 2001 met vrijstelling van omzetbelasting werden verhuurd. De vierde etage werd vanaf 1 juli 2002 gedeeltelijk verhuurd met vrijstelling, terwijl het resterende deel leeg bleef staan.
Na naheffing van omzetbelasting over het derde kwartaal 2002 stelde belanghebbende bezwaar en startte beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de naheffing vernietigde. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris stelden cassatieberoep in. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het Hof te 's-Gravenhage. Dit Hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de naheffingsaanslag en beperkte de naheffing.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte de herziening van de omzetbelasting op grond van artikel 15 lid 4 Wet Pro OB toepaste en dat de herziening moet plaatsvinden volgens artikel 13 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Het Hof had de vierde etage niet als afzonderlijk goed moeten beschouwen. Het incidentele beroep van de Staatssecretaris behoeft daarom geen behandeling. De naheffingsaanslag wordt vernietigd en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bepaalt dat de herziening omzetbelasting moet plaatsvinden op grond van artikel 13 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.