ECLI:NL:PHR:2011:BP6593
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over correctie btw-aftrek bij gedeeltelijke vrijgestelde verhuur van kantoorpand
Deze zaak betreft de btw-aftrek en correctie bij gedeeltelijke vrijgestelde verhuur van een kantoorpand. Belanghebbende had een nieuw pand laten bouwen dat in 2001 werd opgeleverd. De eerste drie etages werden vrijgesteld verhuurd, terwijl de vierde etage aanvankelijk leegstond en pas later gedeeltelijk werd verhuurd met vrijstelling. De vraag was of de btw-aftrek die was toegepast bij levering van het gehele pand moest worden herzien op grond van artikel 15 lid 4 Wet Pro OB vanwege de latere vrijgestelde verhuur van een deel van het pand.
De Hoge Raad bevestigde dat het pand als geheel op 1 november 2001 was geleverd en dat belanghebbende op dat moment over het gehele pand voor bedrijfsdoeleinden beschikte. De aftrek van btw werd op dat moment bepaald en kon niet later per deel van het pand worden gecorrigeerd alsof dat deel een afzonderlijk goed was. De herzieningstermijn begint bij ingebruikname van het gehele pand en niet per deel. Het Hof had ten onrechte het deel van de vierde etage als afzonderlijk goed aangemerkt en een aparte correctie toegepast.
De Hoge Raad verwijst de zaak terug voor nader feitenonderzoek om vast te stellen of de naheffingsaanslag betrekking heeft op het juiste tijdvak, omdat de correctie op grond van artikel 13 Uitv Pro.besch. OB pas aan het einde van het boekjaar moet plaatsvinden. Indien de naheffingsaanslag betrekking heeft op een te vroeg tijdvak, moet deze worden vernietigd.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van btw-herzieningsregels bij gedeeltelijke ingebruikname en vrijgestelde verhuur van onroerend goed, waarbij het pand als één geheel wordt beschouwd voor de btw-aftrek en correctie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het Hof dat de vierde etage als afzonderlijk goed moet worden gezien en verwijst de zaak terug voor nader feitenonderzoek over het toepasselijke tijdvak van de naheffingsaanslag.