Eiseres liet een kantoorpand bouwen dat in delen werd verhuurd, waarbij in 2004 slechts 41% van de voortbrengingskosten integraal werd geheven wegens gedeeltelijke verhuur. Latere naheffingsaanslagen voor de verhuur van andere delen in 2006 en 2009 werden opgelegd door verweerder.
De kern van het geschil was of het pand als één goed of als meerdere zelfstandige delen moest worden gezien voor de integratieheffing. De rechtbank concludeerde dat het pand één geheel vormt, mede omdat het niet juridisch gesplitst is en voorzieningen zoals toiletten en liften gedeeld worden.
Verweerder stelde dat er afspraken waren over gefaseerde heffing en dat herziening mogelijk was, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank vernietigde daarom de naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en heffingsrente, en veroordeelde verweerder in de proceskosten.