ECLI:NL:HR:2011:BP7585
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing artikel 205 Sr inzake werven voor gewapende strijd
De zaak betreft het cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld wegens het werven van een persoon voor de gewapende strijd zonder toestemming van de Koning, in strijd met artikel 205 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging voerde aan dat het werven niet bewezen kon worden omdat de wet volgens hen niet ziet op werving binnen Nederland, dat het begrip 'gewapende strijd' beperkt is tot oorlogssituaties, en dat werving alleen strafbaar is indien gepaard gaand met een concreet verzoek tot deelname. Het hof oordeelde echter dat het enkele ronselen en beïnvloeden van personen voor de gewapende strijd strafbaar is, ook zonder dat het werven tot resultaat leidt, en dat de strijd ook deels in Nederland kan plaatsvinden.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en oordeelde dat het niet relevant is hoe de geworvene tegenover de strijd staat of of het werven resultaat heeft. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, wat leidde tot vermindering van de straf van acht jaren naar zeven jaren en vier maanden gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het cassatieberoep voor het overige, waarmee de straf werd verminderd wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot zeven jaren en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep werd voor het overige verworpen.