Conclusie
twee middelenvan cassatie voorgesteld. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft namens de verdachte het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
eerste middelricht zich tegen de vrijspraak van het onder 1 en 2A ten laste gelegde.
Vrijspraak
concreten voorgenomenaanslag, niet omwenteling in het algemeen – voor te bereiden of te bevorderen, de meest bedenkelijke handelingen van voorbereiding of bevordering te plegen”. [6] De term ‘aanslag’ komt overeen met de redactie van de artikelen 92-94, waarop art. 96, tweede lid, Sr ziet. In de wetsgeschiedenis van de vorige eeuw, de rechtspraak van de Hoge Raad en de literatuur is, voor zover ik heb kunnen nagaan, niet uitdrukkelijk nadere invulling gegeven aan de eisen die te stellen zijn aan de concreetheid van de aanslag. [7] De discussie bij de totstandkoming van de WTM in het begin van deze eeuw heeft zich volledig geconcentreerd op de strafbaarstelling van samenspanning, waarbij de uitbreiding in de voorbereidende fase door het van toepassing verklaarde art. 96, tweede lid, Sr bijna geheel buiten beschouwing is gebleven. [8]
27.Het eerste middel slaagt.
tweede middelricht zich tegen de vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde, met de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘werven’ in art. 140, vierde lid, Sr en mitsdien met verlating van de grondslag van de tenlastelegging heeft vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd.
Vrijspraak
2. Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 3. Ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.
4. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.”