ECLI:NL:HR:2011:BQ0186
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens ontbreken middelen
Op 5 april 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Verdachte, zonder bekende woon- of verblijfplaats, had geen schriftuur met middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn zoals voorgeschreven in art. 437, tweede lid, Sv.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd dat verdachte niet-ontvankelijk verklaard moest worden. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat het ontbreken van een tijdig ingediende schriftuur betekent dat het beroep niet ontvankelijk is.
De Hoge Raad bevestigde hiermee het belang van de formele vereisten voor cassatieberoepen en sloot het beroep van verdachte af zonder inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.