ECLI:NL:HR:2011:BQ2212

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04350
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsverwerking en ongerechtvaardigde verrijking bij verrekening kosten gezamenlijke huishouding

In deze zaak stond centraal de vraag of de erfgenamen zich met succes konden beroepen op rechtsverwerking ter afwering van een vordering tot verrekening van kosten van de gezamenlijke huishouding met de overledene. De vordering was ingesteld door degene met wie de overledene ongehuwd had samengewoond.

De rechtbank en het gerechtshof hadden eerder geoordeeld over de vordering en de stellingen van partijen. Het hof oordeelde dat het beroep op rechtsverwerking niet slaagde en wees de vordering niet af. Tegen dit arrest stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep onderzocht en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Er was geen aanleiding om rechtsvragen te beantwoorden in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd daarom verworpen en partijen dragen ieder hun eigen kosten.

Deze uitspraak bevestigt de eerdere beoordeling van het hof en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het aannemen van cassatiemiddelen die geen wezenlijke rechtsvragen oproepen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de kosten worden ieder door eigen partij gedragen.

Uitspraak

8 juli 2011
Eerste Kamer
09/04350
DV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Verweerster 3],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de erven.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 156391/HA ZA 06-203 van de rechtbank Breda van 17 mei 2006 en 1 augustus 2007;
b. het arrest in de zaak HD 103.005.817 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 juni 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De erven hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 juli 2011.