ECLI:NL:HR:2011:BQ8019

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01088
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat hof niet verplicht is beslissen op verzoek tot getuigenoproeping bij appelschriftuur zonder herhaling ter terechtzitting

In deze strafzaak heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. Bij de stukken voor de Hoge Raad was een appelschriftuur gevoegd waarin onder meer werd verzocht om het horen van meerdere getuigen. De Hoge Raad heeft overwogen dat de rechter niet verplicht is om op een dergelijk verzoek te beslissen wanneer dit alleen schriftelijk is ingediend en niet herhaald is tijdens de terechtzitting.

Het hof had in het arrest van 30 oktober 2009 geen beslissing genomen op het verzoek tot getuigenoproeping dat bij de appelschriftuur was gedaan. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep bleek dat er geen herhaald verzoek ter zitting was gedaan. De Hoge Raad bevestigde dat op grond van artikel 287, derde lid, onder a, Sv, alleen een herhaald verzoek ter terechtzitting een beslissing door het hof vereist.

De klacht van de verdachte dat het hof had moeten beslissen op het schriftelijke verzoek faalde daarom. Ook de overige middelen van cassatie werden verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee de rechtspraak dat een schriftelijk verzoek tot getuigenoproeping zonder herhaling ter zitting niet tot een beslissing door het hof leidt.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het hof niet verplicht was te beslissen op het schriftelijke verzoek tot getuigenoproeping zonder herhaling ter terechtzitting.

Uitspraak

11 oktober 2011
Strafkamer
nr. 10/01088
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 oktober 2009, nummer 23/005970-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1979, wonende te [woonplaats 1].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J. Kuijper en mr. M. Mulder, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof niet heeft beslist op het bij appelschriftuur gedane verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen.
2.2. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 11 november 2008. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een appelschriftuur van 18 november 2008 waarin onder meer de oproeping van een aantal getuigen wordt verzocht. Deze appelschriftuur houdt het volgende in:
"6. Cliënt wenst in de procedure bij uw hof de navolgende onderzoeken uitgevoerd zien.
(...)
8. Naast het bekijken van de camerabeelden wenst cliënt de navolgende getuigen te horen:
(...)
2) [Getuige 1], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats])
3) [Getuige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats]
(...)"
2.3. Het bestreden arrest houdt in dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en op de terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2009.
2.4. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de rechter niet is gehouden op een bij appelschriftuur gedaan verzoek tot oproeping van getuigen te beslissen. Alleen een herhaald, ter terechtzitting gedaan verzoek noopt tot een beslissing. Dat volgt uit art. 287, derde lid onder a, Sv (vgl. HR 24 november 2009, LJN BJ9346, NJ 2009/607).
2.5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2009 blijkt niet dat aldaar door of namens de verdachte een verzoek als bedoeld in art. 287, derde lid onder a, Sv is gedaan om de desbetreffende bij appelschriftuur opgegeven getuigen alsnog ter terechtzitting op te roepen. Gelet daarop was het Hof niet gehouden te beslissen op het in het middel bedoelde verzoek.
2.6. De klacht faalt.
3. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 oktober 2011.