ECLI:NL:HR:2012:BV6666
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken bewijs redelijkerwijs weten van rijbewijsopschorting
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte op of omstreeks 10 november 2006 wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Het Hof had vastgesteld dat de aangetekende brief over de schorsing retour was gekomen met de mededeling 'niet afgehaald', terwijl de gewone brief niet retour was gekomen. Het Hof oordeelde dat deze feiten onvoldoende waren om te concluderen dat verdachte redelijkerwijs van de schorsing op de hoogte had moeten zijn en sprak hem vrij.
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen deze vrijspraak. Het middel klaagde dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat het niet voor risico van verdachte kwam dat hij de aangetekende brief niet had afgehaald, en dat daardoor niet bewezen kon worden dat hij redelijkerwijs moest weten van de schorsing.
De Hoge Raad bevestigde echter dat het begrip 'redelijkerwijs moet weten' in art. 9, vijfde lid, Wegenverkeerswet 1994 zwaardere eisen stelt dan louter verwijtbaarheid. Het oordeel van het Hof dat het niet afhalen van de aangetekende brief niet automatisch betekent dat verdachte redelijkerwijs van de schorsing op de hoogte was, was niet onjuist. Het cassatieberoep werd verworpen en de vrijspraak bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak omdat niet bewezen kon worden dat verdachte redelijkerwijs wist dat zijn rijbewijs was geschorst.