ECLI:NL:HR:2012:BV7412
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Y. Buruma
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-rechtstreeks verblijf in Griekenland voor bescherming Vluchtelingenverdrag
De verdachte, geboren in 1978, verliet Somalië in 2006 en verbleef anderhalf jaar in Saoedi-Arabië, waarna zij via Syrië en Turkije naar Griekenland reisde. In Griekenland vroeg zij asiel aan en verbleef zes maanden, waarna zij naar Nederland reisde en daar werd aangehouden.
Zij voerde verweer op grond van artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag, dat strafuitsluiting biedt aan vluchtelingen die rechtstreeks afkomstig zijn uit een land waar hun leven of vrijheid wordt bedreigd. Het hof oordeelde dat het verblijf in Saoedi-Arabië en het langdurige verblijf in Griekenland betekenden dat zij niet rechtstreeks afkomstig was van Somalië. Griekenland werd als een veilig land aangemerkt en het verblijf aldaar niet als kortdurend transitverblijf.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. Daarnaast merkt de Hoge Raad op dat het middel dat Griekenland niet als veilig land kan worden aangemerkt, niet ontvankelijk is in cassatie omdat dit niet in hoger beroep aan de orde is gesteld. De Hoge Raad acht het verblijf in Griekenland niet bedreigend voor de veiligheid van de verdachte en bevestigt daarmee dat geen strafuitsluiting op grond van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat verdachte niet onder de bescherming van artikel 31 Vluchtelingenverdrag valt en strafbaar is.