ECLI:NL:GHARN:2010:BN6848
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inreis met vals paspoort en toepassing artikel 31 Vluchtelingenverdrag
Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk gebruik van een niet op haar naam gesteld Zweeds vreemdelingenpaspoort tijdens een treinreis van Arnhem naar Utrecht. Zij verklaarde het paspoort in Griekenland te hebben gekocht en was op weg naar Zweden om daar asiel aan te vragen.
De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag, dat strafsancties verbiedt tegen vluchtelingen die rechtstreeks afkomstig zijn uit een bedreigend land en zich onverwijld melden. Het hof oordeelde echter dat verdachte niet rechtstreeks uit Somalië kwam, maar eerst anderhalf jaar in Saoedi-Arabië had gewoond en daarna zes maanden in Griekenland verbleef, een veilig land waar zij geen bedreiging ondervond.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht. Het stelde vast dat verdachte strafbaar is voor het gebruik van het vals paspoort en dat artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro niet tot niet-ontvankelijkheid leidt. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, geheel voorwaardelijk opgelegd vanwege haar eerdere onbesproken strafblad.
De uitspraak benadrukt dat de bescherming van artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM, maar een strafuitsluitingsgrond kan zijn die bij de strafbaarheid moet worden betrokken. In dit geval was die bescherming niet van toepassing omdat de vluchteling niet rechtstreeks afkomstig was uit een bedreigend land.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden wegens gebruik van een vals reisdocument.