ECLI:NL:HR:2012:BV9202

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01457
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingenArt. 588 lid 3 onderdeel b Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
7 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geldigheid dagvaarding in hoger beroep ondanks niet-naleving bewaartermijn gerechtelijke mededeling

In deze strafzaak stond de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep centraal. De dagvaarding was op het GBA-adres van de verdachte aangeboden, maar werd niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zeven dagen op de in het bericht van aankomst vermelde plaats bewaard. De verdachte stelde dat hierdoor de betekening nietig moest worden verklaard omdat hij niet tijdig op de hoogte was gesteld van de behandeling van zijn zaak.

De Hoge Raad overwoog dat het niet bewaren van de gerechtelijke mededeling gedurende zeven dagen niet zonder meer leidt tot nietigheid van de betekening. Dit verzuim kan alleen tot nietigheid leiden indien blijkt dat de verdachte hierdoor niet tijdig kennis kon nemen van de dagvaarding en daardoor in zijn belangen is geschaad. De stelling van de verdachte dat hij vlak na 24 januari 2010 heeft geprobeerd het stuk af te halen, maar te horen kreeg dat het al was geretourneerd, voldeed niet om aan te tonen dat hij niet tijdig op de hoogte was.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de dagvaarding geldig was betekend en verwierp het cassatieberoep. Hiermee werd de verstekvonnis in hoger beroep gehandhaafd. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van art. 4 van Pro het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen en benadrukt dat de belangen van de verdachte centraal staan bij de beoordeling van de geldigheid van betekening.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep ondanks het verzuim de mededeling zeven dagen te bewaren.

Uitspraak

17 april 2012
Strafkamer
nr. S 11/01457
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 2010, nummer 23/001654-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de dagvaarding in hoger beroep niet nietig heeft verklaard.
2.2.1. De akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om op 8 maart 2010 ter terechtzitting in hoger beroep van het Gerechtshof te Amsterdam te verschijnen, houdt in:
(i) dat die dagvaarding op 19 januari 2010 te 13.00 uur tevergeefs is aangeboden op het adres waarop de verdachte op dat moment blijkens het aan de akte gehechte uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie stond ingeschreven, te weten [a-straat 1] te [plaats], omdat aldaar niemand werd aangetroffen, en dat ter plaatse een bericht van aankomst is achtergelaten waarin is vermeld dat de dagvaarding kon worden afgehaald op het in dat bericht genoemde (post)kantoor of politiebureau;
(ii) dat de dagvaarding op 25 januari 2010 te 8.00 uur met de akte is teruggezonden aan de afzender, waarna de dagvaarding op 8 februari 2010 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Amsterdam onder toezending van een afschrift van de dagvaarding naar het GBA-adres van de verdachte.
2.2.2. Op de terechtzitting in hoger beroep is de verdachte noch een raadsman verschenen en is tegen de niet-verschenen verdachte verstek verleend.
2.3. Art. 4 van Pro het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen luidt:
"1. Indien op het in de gerechtelijke mededeling vermelde adres een schriftelijk bericht als bedoeld in artikel 588, derde lid, onderdeel b, van de wet wordt achtergelaten, wordt het gerechtelijk schrijven op de in dat bericht vermelde plaats bewaard gedurende de eerstvolgende zeven dagen na de dag van aanbieding.
2. Op de in het eerste lid bedoelde termijn is de Algemene termijnenwet niet van toepassing."
2.4. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de niet-inachtneming van de in art. 4, eerste lid, genoemde termijn van zeven dagen zonder meer leidt tot nietigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep, kan het middel niet tot cassatie leiden. Die opvatting is in zijn algemeenheid onjuist (vgl. HR 14 september 2010, LJN BM4385, NJ 2010/500).
2.5.1. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat is verzuimd de desbetreffende gerechtelijke mededeling gedurende de termijn van zeven dagen na de dag van aanbieding te bewaren op de in het bericht van aankomst vermelde plaats als bedoeld in art. 4 van Pro het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen. Dit verzuim kan alleen tot nietigheid van de betekening van de dagvaarding leiden, indien blijkt van omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat de verdachte als gevolg van dit verzuim de desbetreffende mededeling niet tijdig in ontvangst heeft kunnen nemen op de in het bericht van aankomst vermelde plaats en hij daardoor is getroffen in zijn belang tijdig op de hoogte te worden gesteld van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep.
2.5.2. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verdachte "vlak na 24 januari 2010" heeft getracht het desbetreffende stuk op het postkantoor af te halen en dat hem toen werd verteld dat het stuk reeds aan de afzender was geretourneerd. Voor zover het middel strekt ten betoge dat op grond van deze omstandigheden de nietigheid van de betekening behoort te worden aangenomen, faalt het. Deze enkele stelling houdt immers nog niet met voldoende mate van duidelijkheid in dat de verdachte, aan wiens GBA-adres op 8 februari 2010 een afschrift van de dagvaarding is toegezonden, binnen de termijn van zeven dagen heeft getracht de gerechtelijke mededeling af te halen op de in het bericht van aankomst vermelde plaats en dientengevolge niet tijdig op de hoogte was van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep.
2.6. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is, is dan ook juist.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 17 april 2012.