Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 januari 2007, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Betrokkene stelde dat de verstekmededeling niet binnen de redelijke termijn was betekend, waardoor het recht op een tijdige behandeling was geschonden.
De Hoge Raad onderzocht of de verstekmededeling rechtsgeldig was betekend binnen één jaar na het arrest van het hof. Hoewel de verstekmededeling niet gedurende de vereiste zeven dagen op de aangegeven plaats was achtergelaten, oordeelde de Hoge Raad dat dit verzuim niet tot nietigheid leidt indien niet is gebleken dat betrokkene binnen die termijn heeft geprobeerd het stuk op te halen.
Daarnaast werd overwogen dat vertraging in de procedure niet aan het Openbaar Ministerie kan worden toegerekend, aangezien betrokkene naliet zijn verhuizing op de voorgeschreven wijze op te geven, waardoor hij niet tijdig kennis kon nemen van de stukken.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Hiermee werd de geldigheid van de verstekmededeling en de voortgang van de ontnemingsprocedure bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de geldigheid van de verstekmededeling en de rechtmatigheid van de ontnemingsprocedure.