Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2012:BV9961

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/03822
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 2 RWNArt. 17 RWNArt. 1 lid 1 aanhef en onder d RWNArt. 261 e.v. Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verzoeker in cassatie bij vaststelling Nederlanderschap minderjarige

In deze zaak heeft de rechtbank vastgesteld dat de minderjarige dochter van verzoeker en verweerster 1 de Nederlandse nationaliteit bezit. Verzoeker stelde in cassatie dat hij niet met verweerster 1 gehuwd was en niet de vader van de dochter, maar deze stellingen werden gepasseerd vanwege eerdere erkenning van het vaderschap en de huwelijksakte.

De kernvraag betrof de ontvankelijkheid van verzoeker in cassatie, waarbij de Hoge Raad oordeelde dat verzoeker niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Dit omdat de vaststelling van het Nederlanderschap van de dochter geen eigen belang van verzoeker raakt, noch bepalend is voor familierechtelijke betrekkingen, ouderlijk gezag of alimentatie.

De Hoge Raad verwees naar vaste rechtspraak en wetsgeschiedenis omtrent het begrip belanghebbende in procedures op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap en de verzoekschriftprocedure. Verzoeker werd daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.

De beschikking werd gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Streefkerk en Loth en in het openbaar uitgesproken door Van Oven op 25 mei 2012.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens gebrek aan eigen belang.

Uitspraak

25 mei 2012
Eerste Kamer
11/03822
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. K. Aantjes,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
verblijvende in Nederland,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R. Aboukir,
2. DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES, IMMIGRATIE- EN NATURALISATIEDIENST),
zetelende 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker], [verweerster 1] en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 375277/HA RK 10-467 van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 mei 2011.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster 1] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker]. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] als verzoeker tot cassatie.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [De dochter] is op [geboortedatum] 2009 in Egypte geboren als dochter van [verweerster 1] en [verzoeker]. [Verweerster 1], de moeder van [de dochter], heeft de Egyptische nationaliteit, [verzoeker] de Nederlandse.
(ii) Bij beschikking van 17 mei 2010 heeft de rechtbank 's-Gravenhage voor recht verklaard dat de huwelijksakte van [verweerster 1] en [verzoeker], inhoudende dat zij op 11 juni 2008 te Cairo, Egypte, met elkaar zijn gehuwd, overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt en naar haar aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
3.2 [Verweerster 1] heeft in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige [de dochter] op 5 september 2010 op de voet van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) de rechtbank verzocht vast te stellen dat [de dochter] vanaf 20 juni 2009 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
3.3.1 Vooropgesteld wordt dat [verzoeker] in zijn cassatieverzoekschrift heeft vermeld dat in cassatie de beschikking van de rechtbank van 17 mei 2010 tot uitgangspunt moet worden genomen. Daarin is geoordeeld dat de in Egypte opgemaakte huwelijksakte moet worden erkend en vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand. Op grond hiervan heeft de rechtbank in de bestreden beschikking terecht aangenomen dat [verzoeker] de vader van [de dochter] is in de zin van art. 1 lid Pro 1, aanhef en onder d, RWN. De thans in cassatie ingenomen stelling van [verzoeker] dat hij niet met [verweerster 1] is gehuwd (geweest) en dat hij niet de vader van [de dochter] is, moet derhalve worden gepasseerd.
3.3.2 Bij de beantwoording van de vraag of [verzoeker] ontvankelijk is in zijn beroep, is het volgende van belang. Ingevolge art. 18 lid 2 RWN Pro staat beroep in cassatie open voor belanghebbenden. De RWN bepaalt echter niet wie als belanghebbende kan worden aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis van de RWN zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2-2.3, zijn op een procedure als de onderhavige, die wordt ingeleid met een verzoekschrift, de regels van de verzoekschriftprocedure van art. 261 e.v. Rv. van toepassing. Ook in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet in het algemeen bepaald wie als belanghebbende kan worden aangemerkt.
3.3.3 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt, worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (vgl. HR 10 november 2006, LJN AY8290, NJ 2007/45).
3.3.4 Gelet op de hiervoor vermelde maatstaf moet worden aangenomen dat [verzoeker] in deze procedure niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De vaststelling van het Nederlanderschap van [de dochter] treft [verzoeker] niet zodanig in een eigen belang dat hij in deze procedure ter bescherming daarvan behoort te mogen opkomen.
De nationaliteit van [de dochter] is immers niet bepalend bij het vaststellen van de familierechtelijke betrekkingen tussen [de dochter] en [verzoeker], en evenmin bij kwesties met betrekking tot ouderlijk gezag en alimentatie.
Ook overigens zijn door [verzoeker] geen omstandigheden gesteld die meebrengen dat hij een eigen belang heeft om in deze procedure te verschijnen. [Verzoeker] moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 25 mei 2012.