Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 2.1.1is voorwaardelijk voorgesteld en mist feitelijke grondslag. De klachten van dit subonderdeel gaan uit van de veronderstelling dat de moeder in de procedure bij het hof
voor zichzelfoptrad als appellante. De aanhef van de bestreden beschikking, en ook hetgeen het hof in rov. 3.6.1 overweegt, maakt duidelijk dat het hof voor ogen heeft gehad dat de moeder in hoger beroep optrad in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de oudste dochter [4] .
rechtstreeksbetrekking heeft. Betekent dit dat ook voor de toepassing van art. 290 Rv Pro in een zaak van personen- en familierecht een beperkt ‘belanghebbenden’-begrip geldt? De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht geeft een bevestigend antwoord op deze vraag:
Subonderdeel 2.1.3keert zich in het bijzonder tegen de overweging dat art. 811 Rv Pro een
lex specialisis ten opzichte van art. 290 Rv Pro. Volgens de klacht geeft deze overweging blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat nergens in de wet is aangegeven dat art. 811 Rv Pro de toepasselijkheid van de hoofdregel in art. 290 Rv Pro uitsluit.
Subonderdeel 2.1.4, gericht tegen het slot van rov. 3.6.4, bouwt voort op deze klachten en bestrijdt het oordeel dat een andersluidende beslissing de rechtsvormende taak van de rechter te buiten zou gaan.
nietzijn overgelegd door de Raad, het O.M. of een door de rechter benoemde deskundige.
equality of armsin het kader van art. 6 lid 1 EVRM Pro
.Voor een eerlijk proces is nodig dat alle partijen in de procedure over dezelfde informatie kunnen beschikken, in die zin dat zij kennis kunnen nemen van hetgeen door andere deelnemers aan het geding of door derden aan de rechter is overgelegd [11] . In de vakliteratuur is dienaangaande betoogd:
in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de dochterontvankelijk geacht in door haar ingestelde hoger beroep (rov. 3.6.1) [13] . Het hof beschouwt de moeder in haar genoemde hoedanigheid dus als de formele procespartij en de dochter als de materieel belanghebbende. In de redenering van het hof is de regel in art. 290 Rv Pro, over toegang tot de gedingstukken, geschreven voor hen die in de verzoekschriftprocedure als formeel ‘belanghebbende’ optreden of kunnen optreden. De dochter is geen formeel (processueel) ‘belanghebbende’ en kan dat ook niet zijn: als minderjarige is zij niet procesbekwaam. In haar genoemde hoedanigheid heeft de moeder, als appellante, recht op inzage en afschrift van het procesdossier. Kortom, wanneer de dochter, in rechte vertegenwoordigd door haar moeder, kennis wil nemen van het procesdossier, kan zij zich tot haar moeder wenden.
zonder tussenkomst van een wettelijk vertegenwoordiger, recht heeft op afgifte van afschriften van alle gedingstukken in deze procedure. De (advocaat van de) dochter wil niet afhankelijk zijn van medewerking van de moeder of van een bijzonder curator.
kaneen minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, in de gelegenheid stellen om zijn mening kenbaar te maken. Het recht te worden gehoord op de voet van art. 809 Rv Pro maakt de minderjarige nog niet tot een formele procespartij in de verzoekschriftprocedure.
equality of armstussen die procesdeelnemers. Voor een
equality of armstussen de procesdeelnemers is van belang of de moeder in haar genoemde hoedanigheid inzage en afschrift van de gedingstukken heeft gekregen althans heeft kunnen krijgen. Subonderdeel 2.1.2 faalt.
General Comment nr. 12bij dat verdrag [24] , met art. 6 EVRM Pro, met art. 24 en Pro 47 van het Handvest van de grondrechten [25] en met de
Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child friendly justice [26] . Om dezelfde reden kan volgens het middelonderdeel ook niet worden volgehouden dat het verzuim in hoger beroep is hersteld, zoals het hof heeft overwogen.
General Comment nr. 12bij het IVRK is slechts summier toegelicht. In dit gezaghebbende commentaar wordt inderdaad gesproken over informatie die het kind zou moeten ontvangen ter voorbereiding op het horen (zie par. 41), maar dan gaat het toch vooral om voorlichting over zijn rechten en over procedurele aspecten, zoals inlichtingen over de wijze waarop het horen zal plaatsvinden en wie daarbij aanwezig zullen zijn. In par. 80 van het
General Commentwordt een verband gelegd met art. 13 IVRK Pro (vrijheid van meningsuiting, waartoe behoort de vrijheid om informatie te vergaren) en met art. 17 IVRK Pro (toegang tot de massamedia en tot gepubliceerde informatie). Mede gelet op het reeds aangehaalde tweede lid van art. 12 IVRK Pro, gaat het m.i. te ver, hierin te lezen dat art. 12 in Pro combinatie met art. 13 of Pro art. 17 IVRK Pro aan het kind het recht verleent buiten zijn wettelijk vertegenwoordiger (in voorkomend geval: een bijzondere curator) om, afschriften te ontvangen van de processtukken.
on child friendly justicevormen geen ‘recht’ in de zin van art. 79 RO Pro, zodat miskenning daarvan geen grond tot cassatie oplevert. Zij kunnen hoogstens tot steun zijn bij de uitleg van de verdragsbepalingen waarop een beroep is gedaan in het cassatiemiddel. In de genoemde aanbevelingen gaat het met name om de paragrafen 34 - 36 (
Access to court and to the judicial process), 37 - 43 (
Legal counsel and representation) en 44 - 48 (
Right to be heard and to express views). Toegang tot de rechter, daar gaat het volgens het middel om, heeft de minderjarige door gebruik te maken van het hoorrecht. In het gesprek met de minderjarige kan de rechter vragen naar de mening van de minderjarige over stellingen, meningen of gegevens die in de gedingstukken aan de orde zijn geweest.
rechtstreeksafschriften van de gedingstukken krijgt, d.w.z. zonder tussenkomst van zijn wettelijk vertegenwoordiger of, in voorkomend geval, van een bijzonder curator? Voor een bevestigend antwoord op die vraag zie ik in de voorliggende zaak geen aanleiding. In paragraaf IV.A.1 (
information and advice) van de Aanbevelingen van het Comité van Ministers is weliswaar opgemerkt:
Onderdeel 2.3, gericht tegen rov. 3.6.9 en het dictum, bouwt slechts voort op de vorige klachten en behoeft geen nadere bespreking.