ECLI:NL:HR:2012:BW6670
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Y. Buruma
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 december 2010. De verdachte was ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Veenhuizen. De advocaat van de verdachte stelde middelen van cassatie voor. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de strafduur en tot vermindering van de straf, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden, behalve het middel dat klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad stelde vast dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn was overschreden.
Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren tot elf jaar en zes maanden. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. Daarnaast werd de ontvankelijkheid van het beroep besproken, waarbij werd vastgesteld dat de volmacht aan een griffiemedewerker aan de voorwaarden voldeed. De zaak werd verwezen naar de rolzitting voor verdere behandeling.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.