ECLI:NL:HR:2012:BW8680
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Y. Buruma
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad corrigeert proeftijd van drie naar twee jaar bij gevangenisstraf
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam een verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van drie jaar, inclusief een bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen contact mocht opnemen met een betrokkene.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de duur van de proeftijd. De Advocaat-Generaal concludeerde tot gedeeltelijke vernietiging van het hofarrest, uitsluitend voor zover de proeftijd op drie jaar was vastgesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de proeftijd op drie jaar had vastgesteld, omdat de wettelijke bepaling (art. 14b lid 2 in verbinding met art. 14c lid 1 oud Sr) een maximale proeftijd van twee jaar voorschrijft. Ook de bijzondere voorwaarde mocht niet leiden tot een langere proeftijd dan wettelijk is toegestaan.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest voor zover het de proeftijd betrof en stelde deze vast op twee jaar. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. De opgelegde gevangenisstraf van twee maanden blijft gehandhaafd, met de proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde.
Uitkomst: De proeftijd wordt vastgesteld op twee jaar in plaats van drie jaar, met behoud van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden.