Conclusie
[verdachte]
eerste middelklaagt dat het Hof in strijd met art. 14b (oud) Sr de duur van de proeftijd voor zowel de algemene als de bijzondere voorwaarden heeft bepaald op drie jaar.
tweede middelklaagt dat het Hof ten onrechte aan de voorwaardelijke veroordeling de algemene voorwaarde tot het verlenen van medewerking aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, eerste lid, onder b sub 2, Sr de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, heeft verbonden, nu de feiten zijn begaan voordat de wijziging van art. 14c Sr, waarin de mogelijkheid deze voorwaarde op te leggen is opgenomen, in werking is getreden.
derde en het vierde middelrichten zich tegen de strafmotivering. Het derde middel bevat de klacht dat het, tegen de achtergrond van het zich tussen de stukken bevindende Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 september 2013, niet begrijpelijk is dat het Hof heeft overwogen “dat requirant eerder ter zake soortgelijke delicten is veroordeeld”. Blijkens de toelichting verzet de steller zich tegen het door het Hof gebezigde meervoud. Het
vierde middelklaagt dat het Hof bij de strafoplegging acht heeft geslagen op een, ten tijde van de “bewezenverklaarde pleegperioden”, nog niet onherroepelijk geworden veroordeling. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
vijfde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
bij de Hoge Raad der Nederlanden