Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2012:BW8747

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05013
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WVW 1994Art. 9.2 WVW 1994Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt kennis van ongeldig verklaard rijbewijs bij rijden zonder geldig rijbewijs

De zaak betreft een verdachte die op 11 april 2005 werd betrapt op het besturen van een auto terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het rijbewijs was op 6 september 2000 ongeldig verklaard en het besluit hierover was zowel aangetekend als niet aangetekend aan de verdachte verzonden, zonder dat deze brieven retour kwamen. Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) ontving het ongeldig verklaarde rijbewijs op 27 oktober 2000 en de verdachte had tot 16 juli 2007 geen nieuw rijbewijs aangevraagd.

Het hof concludeerde op basis van deze feiten dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was. Dit oordeel werd aangevochten in cassatie, waarbij werd betoogd dat het niet retour komen van de brieven niet bewijst dat de verdachte deze daadwerkelijk heeft ontvangen. De Hoge Raad verwierp dit verweer en oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd had vastgesteld dat de verdachte kennis had van de ongeldigverklaring.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de bewezenverklaring en verwierp het cassatieberoep. De uitspraak benadrukt dat het niet retour komen van aangetekende en niet aangetekende brieven, gecombineerd met het ontbreken van een nieuw rijbewijsaanvraag, voldoende aanwijzingen biedt om kennis van de ongeldigverklaring aan te nemen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en verwerpt het cassatieberoep.

Uitspraak

19 juni 2012
Strafkamer
nr. S 10/05013
DAZ/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 november 2007, nummer 22/003060-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt onder meer dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte "wist of redelijkerwijs moest weten" dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard. Daartoe is betoogd dat louter uit het feit dat zowel de aangetekende als de niet aangetekende brief niet zijn retour gekomen niet kan worden afgeleid dat bedoelde brieven althans een daarvan de verdachte hebben bereikt.
2.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op 11 april 2005 te 's-Gravenhage terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, het Jonckbloetplein, als bestuurder een motorrijtuig, (auto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd."
2.3. Deze bewezenverklaring steunt - voor zover in cassatie van belang - op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het proces-verbaal aanleiding onderzoek art 8 WVW Pro 1994 van politie Haaglanden, proces-verbaalnummer PL1531/2005/16608-2, d.d. 11 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, (pagina 3-4 van het dossier).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Op 11 april 2005 om 01.00 uur zagen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dat een persoon als bestuurder van een voertuig (personenauto) op de voor het openbare verkeer openstaande weg Jonckbloetplein te 's-Gravenhage reed. Wij hebben het voertuig doen stilhouden.
(...)
Verdachte: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1969
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
De bestuurder werd door ons op 11 april 2005 om 01.10 uur aangehouden als verdacht van overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
5. Het proces-verbaal van politie Haaglanden, proces-verbaalnummer PL1531/2005/16608-2, d.d. 11 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (pagina 11-12 van het dossier).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van deze opsporingsambtenaar:
Op 23 april 2005 (het hof begrijpt - gelet op het hiervoor onder 1 genoemde proces-verbaal - 11 april 2005) omstreeks 01.00 uur zag ik, verbalisant [verbalisant 2], dat een persoon, die later bleek te zijn [verdachte], als bestuurder van een voertuig (personenauto) op het Jonckbloetplein te 's-Gravenhage reed. Ik heb het voertuig doen stilhouden.
Voor het besturen van dit motorrijtuig is een rijbewijs nodig van categorie B.
De bestuurder heeft mij niet op eerste vordering een rijbewijs ter inzage afgegeven, om de reden dat hij geen rijbewijs bij zich had. Het rijbewijs is ongeldig verklaard.
6. Een geschrift, zijnde een computeruitdraai van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, d.d. 20 april 2005, ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] d.d. 27 april 2005, hoofdagent van politie Haaglanden, (pagina 15 van het dossier). Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats], rijbewijsnummer: [0001].
Datum ongeldigverklaring: 6 september 2000.
Feitelijke inl.datum ongeld: 27 oktober 2000.
7. Een geschrift, zijnde een Besluit van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte, d.d. 6 september 2000, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1], hoofd van de divisie Vorderingen van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, namens de minister van Verkeer en Waterstaat. Het houdt onder meer in
- zakelijk weergegeven -:
Besluit
Het rijbewijs van [verdachte] wordt ongeldig verklaard voor alle categorieën. De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die van de dagtekening van dit besluit.
8. Een geschrift, zijnde een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, d.d. 16 juli 2007, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 2], hoofd divisie Vorderingen.
Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
Betreffende: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1969.
Het besluit van 6 september 2000 is aangetekend en onaangetekend verzonden. Zowel de aangetekende als de onaangetekende brieven zijn niet retour gekomen.
Op 27 oktober 2000 heeft het CBR het rijbewijs 89317001 van betrokkene ontvangen die reeds ongeldig is. Betrokkene heeft geen nieuw rijbewijs aangevraagd."
2.4. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden - samengevat weergegeven - in dat het rijbewijs van de verdachte bij besluit van 6 september 2000 ongeldig is verklaard, dat dit besluit zowel bij aangetekende als bij niet aangetekende brief aan de verdachte is verzonden, dat deze brieven niet retour zijn gekomen, dat het CBR op 27 oktober 2000 "het rijbewijs 89317001 van betrokkene" heeft ontvangen en dat de verdachte tot 16 juli 2007 geen nieuw rijbewijs had aangevraagd. Uit die feiten en omstandigheden heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte op 11 april 2005 wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel hierover klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.
2.5. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 19 juni 2012.