De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Het hof stelde vast dat verdachte met een gatenboor meerdere personen had gestoken en zwaaide, wat leidde tot zware lichamelijke verwondingen. Tevens werd vastgesteld dat verdachte op 1 januari 2009 reed terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
De Hoge Raad oordeelde dat het bewijs voor poging tot zware mishandeling voldoende was onderbouwd met verklaringen van slachtoffers, getuigen en medische rapporten. Het hof had terecht geoordeeld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar letsel had aanvaard door met een scherp voorwerp te steken en rond te zwaaien.
Echter oordeelde de Hoge Raad dat het bewijs dat verdachte redelijkerwijs wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard onvoldoende was. De brieven van het CBR waren niet aantoonbaar ontvangen en het hof kon niet afleiden dat verdachte op de hoogte was van de ongeldigverklaring. Daarom vernietigde de Hoge Raad het deel van de uitspraak over het ongeldig rijden en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van dat onderdeel.
De rest van het arrest bleef in stand. De Hoge Raad verwierp het middel dat het hof onterecht poging tot zware mishandeling had bewezen. De zaak werd deels vernietigd en deels bevestigd, met terugwijzing voor het onderdeel rijbewijs.