ECLI:NL:HR:2012:BX7863
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- J.W. Ilsink
- C. Schaap
- M.W.C. Feteris
- Th. Groeneveld
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag VAR-DGA en bevoegdheid inspecteur tot afgifte VAR-loon
Belanghebbende, een tandarts met een aanmerkelijk belang in zijn vennootschap, vroeg voor 2008 een Verklaring arbeidsrelatie (VAR) aan, waarbij hij aangaf dat zijn werkzaamheden als directeur-grootaandeelhouder voor rekening en risico van zijn BV werden verricht (VAR-DGA). De inspecteur gaf echter een beschikking af op grond van artikel 3.156 Wet IB 2001, waarbij de voordelen werden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking.
De Rechtbank te Breda vernietigde deze beschikking en stelde deze nader vast als VAR-DGA, maar het Hof vernietigde de nadere vaststelling en bevestigde de beschikking van de inspecteur. De Staatssecretaris stelde hiertegen cassatieberoep in.
De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden bevoegd is een beschikking te geven op grond van artikel 3.156, ook als de aanvrager een VAR-DGA op grond van artikel 3.157 aanvraagt. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat een beschikking op grond van artikel 3.156 niet kan worden gegeven in plaats van een beschikking op grond van artikel 3.157.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond omdat geen belang bestaat bij vernietiging van de uitspraak van het Hof, mede omdat een hernieuwde beslissing niet meer tot een werkzame beschikking kan leiden voor het jaar 2008. Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de inspecteur bevoegd is een VAR-loon beschikking te geven.