ECLI:NL:HR:2012:BY0063
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid verdachte en mededader voor schadevergoeding benadeelde partij
In deze zaak stond de hoofdelijkheid van aansprakelijkheid tussen verdachte en mededader jegens de benadeelde partij centraal. De benadeelde partij had een schadevergoeding van €16.292,- gevorderd wegens door verdachte gepleegde feiten. De mededader had deze schade reeds voldaan, waarna de verdediging betoogde dat verdachte niet meer aansprakelijk kon worden gehouden.
Het hof oordeelde dat ondanks betaling door de mededader, verdachte hoofdelijk aansprakelijk blijft, maar dat betaling door de mededader verdachte bevrijdt van zijn betalingsverplichting. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van verdachte. Tevens werd vastgesteld dat de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het strafproces losstaat van de civiele opeisbaarheid van de vordering.
Verder constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, maar achtte dit niet aanleiding tot rechtsgevolgen gezien de aard van de opgelegde straf. Het arrest bevestigt daarmee de hoofdelijkheid van aansprakelijkheid en de rechtsopvatting omtrent de civiele vordering binnen het strafproces.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte en mededader hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding en dat betaling door één hoofdelijk aansprakelijke de ander bevrijdt van de betalingsverplichting.