ECLI:NL:PHR:2012:BY0063
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vordering benadeelde partij en overschrijding redelijke termijn in strafzaak geweldpleging
In deze strafzaak is verdachte door het hof veroordeeld wegens het plegen van openlijk geweld in vereniging tegen personen, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een proeftijd van twee jaar. De benadeelde partij had een civiele vordering tot schadevergoeding ingediend, die het hof toewijst ondanks dat de schade reeds door een medeverdachte was betaald.
De verdediging stelde dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de schade reeds was vergoed door een medeverdachte die hoofdelijk aansprakelijk is. Het hof oordeelde echter dat dit de aansprakelijkheid van verdachte niet wegneemt en dat de vordering ontvankelijk is, verwijzend naar eerdere jurisprudentie.
De advocaat-generaal concludeert dat het hof voorbijgaat aan het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010, waarin is bepaald dat bij reeds voldane schadevergoeding geen plaats is voor toewijzing van de vordering. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de vordering toewijst en wijst erop dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, zonder het beroep verder te schorsen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de vordering van de benadeelde partij betreft en de redelijke termijn is overschreden.