Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
[betrokkene 2]."
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
12 november 2013.
Hoge Raad
In deze zaak is de verdachte in hoger beroep behandeld door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte was in eerste aanleg gedagvaard voor de economische kamer van de rechtbank te Dordrecht wegens valsheid in geschrifte met betrekking tot meldingen voor Energieinvesteringsaftrek (EIA) en milieu-investeringsaftrek (MIA/VAMIL).
De verdachte stelde in cassatie dat de economische kamer van het gerechtshof zich onterecht bevoegd had verklaard om over de strafbare feiten te oordelen. De Hoge Raad heeft dit middel onderzocht aan de hand van de relevante wetsartikelen uit de Wet op de economische delicten (WED) en de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 52 WED Pro in verbinding met art. 64 RO Pro de economische kamer van het gerechtshof bevoegd is om hoger beroep te behandelen en te beslissen in zaken waarin de economische kamer van de rechtbank in eerste aanleg vonnis heeft gewezen. De klacht van de verdachte werd verworpen en het beroep in cassatie werd afgewezen.
De overige middelen van de verdachte werden niet inhoudelijk behandeld omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 12 november 2013.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de economische kamer van het gerechtshof en verwerpt het cassatieberoep van de verdachte.