Conclusie
Nummer22/00496
Bespreking van het eerste middel
eerstemiddel bevat de klacht dat de ‘gewone’ meervoudige kamer voor strafzaken van het hof ten onrechte een zaak waarin door de economische kamer van de rechtbank vonnis is gewezen, heeft behandeld en beslist en/of ten onrechte (impliciet) heeft geoordeeld dat zij bevoegd was tot kennisneming van het strafbare feit en/of tot de inhoudelijke behandeling van de zaak. In ieder geval, zo begrijp ik, zou de economische meervoudige kamer voor strafzaken van het hof de onderhavige zaak ten onrechte hebben behandeld en beslist.
Bespreking van het tweede middel
tweedemiddel bevat de klacht dat de bewijsvoering ‘onvoldoende redengevend is voor de bewezenverklaarde valsheid in geschrifte’. Gesteld wordt dat uit de bewijsvoering 1) de betrokkenheid van de verdachte bij de vervalsing niet kan volgen, 2) niet kan volgen dat de verdachte in het in de bewezenverklaring vermelde geschrift opzettelijk ‘in zeven van de negen dwarsprofielen (in totaal) 46 keer, heeft aangegeven/vermeld dat de bodem op de plaatsen waarop (de meetpunten in) die dwarsprofielen betrekking hadden, een bepaalde hoogte hadden (…), terwijl in werkelijkheid de bodem hoger was (en dus minder diep uitgebaggerd) dan op die dwarsprofielen was aangegeven’, en 3) niet kan volgen dat de verdachte het oogmerk had om het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 24 januari 2022 voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als proces-verbaal van verhoor van verdachte wonende te [plaats]:
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als bevindingen van verbalisant:
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als proces-verbaal van verhoor van aangevers:
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verdenking met bijlagen, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als bevindingen van verbalisant:
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1]:
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verdenking met bijlagen, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als bevindingen van verbalisant:
“een e-mailbericht van Tekenbureau [D] van 13 december 2015”, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Standpunt advocaat-generaal
controlede onjuistheid daarvan aan het licht zou komen. Het hof is daarom van oordeel dat verdachte daarmee het “oogmerk” heeft gehad, in de zin van zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn op het als echt en onvervalst gebruiken van de tekening door [A] richting de provincie in de eindoplevering.’
eerstedeelklacht betreft als gezegd de vraag of de betrokkenheid van de verdachte bij de vervalsing van de dwarsprofieltekening uit de bewijsmiddelen kan volgen. De steller van het middel meent dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat de verdachte betrokken is geweest bij de vervalsing van ‘de op 14 januari 2016 door [betrokkene 2] van [A] aan de Provincie Friesland verstuurde dwarsprofieltekening, die een aanpassing zou zijn van de op 11 december 2015 door [C] aan [A] verzonden dwarsprofieltekening’. Niet zou kunnen blijken dat de verdachte ‘de op 11 december 2015 door [B] aan [A] verstuurde dwarsprofieltekening op enig moment van [A] of op een andere manier heeft ontvangen en/of dat hem door [A] is verzocht die dwarsprofieltekening aan de hand van door [A] en/of [B] verstrekte gegevens aan te passen’.
tweededeelklacht betreft de vraag of het (in het bewezenverklaarde vervalsen besloten liggende) opzet uit de bewijsmiddelen kan volgen. De steller van het middel voert aan dat uit de bewijsmiddelen, uit hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard en uit het pleidooi van de verdediging zou volgen dat de verdachte ‘heeft getekend op basis van door [A] aangeleverde data en dat dit de gangbare praktijk was’. Het hof zou ten onrechte de juistheid in het midden hebben gelaten van het verweer dat de verdachte niet zou hebben vermoed dat deze data niet in overeenstemming waren met de werkelijkheid. In ieder geval zou de verwerping van dit verweer (zonder motivering, die ontbreekt) onbegrijpelijk zijn.
derdedeelklacht betreft de vraag of uit de bewijsvoering kan blijken dat de verdachte de bedoeling had het vervalste geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. De steller van het middel voert aan dat uit het e-mailbericht slechts zou volgen dat ‘de opdrachtgever bij een controle andere waardes zou constateren’. Daarmee zou niets gezegd zijn over de kans dat de tekening gebruikt zou worden. En in de e-mail zou voorts besloten liggen dat de verdachte ‘ervan uitging dat de opdrachtgever (voor de inzending van de tekening) nog een controle zou uitvoeren’.
controlede onjuistheid daarvan aan het licht zou komen.’ Gelet daarop heeft het hof geoordeeld dat de verdachte het oogmerk heeft gehad, ‘in de zin van zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn’ op het als echt en onvervalst gebruiken van de tekening door [A] richting de provincie in de eindoplevering.
Bespreking van het derde middel
derdemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie.