25. Uit de bewijsmiddelen kan kort samengevat het volgende worden afgeleid. Nadat in de Heafeart baggerwerkzaamheden zijn uitgevoerd door [A] B.V. (hierna: [A] ) zijn eindmetingen gedaan door het [D] (bewijsmiddel 5). De eindmeting wordt met de opdrachtgever gedaan; de verdachte heeft deze data ingetekend (bewijsmiddel 1). Ter controle van de eindmeting is door een ander meetbureau, [C] B.V. (hierna: [C] ), een controlemeting uitgevoerd (bewijsmiddel 5). De resultaten van die controlemeting zijn op 11 december 2015 door [C] aan [A] gestuurd (bewijsmiddelen 5 en 7). Op 13 december 2015 stuurt verdachte een e-mail aan [betrokkene 2] van [A] , met bijgevoegd ‘de originele inmeting’ en het ‘aangepaste bestand (…) in het wetransfer-bestand’, alsmede de ‘ [C] (die) is aangepast en bijgevoegd in het wetransfer bestand’ (bewijsmiddel 8). Vervolgens verstuurt [betrokkene 2] van [A] op 14 januari 2016 naar de Provincie Friesland een aangepaste dwarsprofieltekening als zijnde de tekening die [C] op 11 december 2015 heeft gemaakt (bewijsmiddel 7), naar ik begrijp samen met de eindmeetgegevens baggerwerk uitgevoerd door het teken- en adviesbureau van verdachte (bewijsmiddel 3). De provincie trekt uit een indicatieve meting die op 25 april 2016 is uitgevoerd en een contra-expertise door meetbureau G2 de conclusie dat de door [A] aangeleverde meetgegevens niet voldoen aan de contracteisen (bewijsmiddelen 4 en 5). [C] verklaart dat er (in het meetbestand dat door [A] als het zijne is ingediend) op 46 punten een afwijking is van de diepte die in zijn bestand (dat in zijn archief zit) is aangegeven (bewijsmiddel 6).
26. De
eerstedeelklacht betreft als gezegd de vraag of de betrokkenheid van de verdachte bij de vervalsing van de dwarsprofieltekening uit de bewijsmiddelen kan volgen. De steller van het middel meent dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat de verdachte betrokken is geweest bij de vervalsing van ‘de op 14 januari 2016 door [betrokkene 2] van [A] aan de Provincie Friesland verstuurde dwarsprofieltekening, die een aanpassing zou zijn van de op 11 december 2015 door [C] aan [A] verzonden dwarsprofieltekening’. Niet zou kunnen blijken dat de verdachte ‘de op 11 december 2015 door [B] aan [A] verstuurde dwarsprofieltekening op enig moment van [A] of op een andere manier heeft ontvangen en/of dat hem door [A] is verzocht die dwarsprofieltekening aan de hand van door [A] en/of [B] verstrekte gegevens aan te passen’.
27. Uit de bewijsmiddelen volgt, zo bleek, dat de verdachte op 13 december 2015 een e-mail heeft gestuurd aan [betrokkene 2] van [A] met bijgevoegd ‘de originele inmeting’ en het ‘aangepaste bestand (…) in het wetransfer-bestand’, alsmede de ‘ [C] (die) is aangepast en bijgevoegd in het wetransfer bestand’. De verdachte geeft in dat e-mailbericht aan dat in opdracht van [A] ‘alle metingen zowel van [verdachte] als [C] (zijn) bijgesteld, zodat deze onder de desbetreffende legger vallen’ (bewijsmiddel 8). Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij is ‘ingehuurd voor de eindmetingen en [B] voor de controlemetingen’ en dat er destijds ‘inderdaad tekeningen van [C] op verzoek van [A] (zijn) aangepast en bijgesteld’. Hij verklaart voorts dat [betrokkene 2] ‘met het verzoek kwam dat de tekeningen moesten worden aangepast’ (bewijsmiddel 1). En uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de verdachte tijdens een verhoor door de politie heeft verklaard hij ‘een verzoek van [betrokkene 3] (kreeg) om de metingen van het meetbedrijf [C] aan te passen’ en dat hij ‘alle metingen’ heeft aangepast (bewijsmiddel 2).
28. Daaruit heeft het hof naar het mij voorkomt kunnen afleiden dat verdachte de persoon is geweest die de dwarsprofieltekening van [C] heeft aangepast op zodanige wijze dat het ‘leek alsof de baggerwerkzaamheden voldeden aan de daaraan door de opdrachtgever (de provincie) van [A] gestelde eisen’. Dat de verdachte de eindmeting van [C] heeft ontvangen en dat [betrokkene 2] vervolgens met het verzoek kwam ‘dat de tekeningen moesten worden aangepast’ volgt uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 1). Daaraan doet niet af dat in de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte die ter terechtzitting in hoger beroep is afgelegd ook wordt gesproken over aanpassingen die hij anders dan op verzoek van [betrokkene 2] heeft aangebracht. En daaraan doet evenmin af dat de verdachte in zijn bij de politie afgelegde verklaring spreekt over een originele tekening van 5 december 2015. Dat de tekening op 11 december 2015 aan [A] is gestuurd, sluit niet uit dat ‘in de onderhoek’ staat dat ‘de originele tekening van 5 december 2015’ is.
29. Aan de toereikendheid van de bewijsvoering doet evenmin af dat uit de tot het bewijs gebezigde verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd blijkt dat er meerdere verzoeken zijn geweest om dwarsprofielen en metingen aan te passen, waaronder een verzoek op 30 november 2015 ‘om twee dwarsprofielen bij te trekken’ (bewijsmiddel 2). Het hof heeft uit deze verklaring van de verdachte en andere bewijsmiddelen kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat verschillende verzoeken zijn gedaan en uitgevoerd die de meetgegevens die op de ‘aangepaste’ originele inmeting vermeld zijn betroffen, en dat de dwarsprofieltekening die [C] op 11 december 2015 heeft verstuurd daar voorafgaand aan het e-mailbericht van 13 december 2015 aan is aangepast.
30. De steller van het middel maakt tenslotte enkele opmerkingen over bewijsmiddel 7, waarin de verbalisant zijn waarneming heeft vermeld dat de ‘windroos, lettertype en kleur van de tekst op de tekening ontvangen door Provincie Friesland’ niet overeenkomt ‘met de windroos op de originele tekening’ die door [C] naar [A] is gestuurd. Vastgesteld zou niet kunnen worden dat de verdachte ‘in een tekening van [C] zou hebben getekend en daarbij ook de kenmerken van een originele tekening van [C] zou hebben gebruikt’. De steller van het middel voert daarbij aan dat de ‘via Wetransfer te verzenden tekening (…) geen onderdeel van de bewijsvoering’ is. Bovendien zou uit de bewijsvoering niet volgen dat aan de verdachte is verzocht ‘om dergelijke wijzigingen aan windroos, lettertype en tekst door te voeren, laat staan dat hij dergelijke wijzigingen feitelijk heeft doorgevoerd’.
31. Geen rechtsregel brengt mee dat de waarneming van de verbalisant omtrent de windroos, het lettertype en de kleur van de tekst op de tekening ontvangen door de provincie slechts voor het bewijs mag worden gebezigd als ook die tekening zelf onder de bewijsmiddelen is opgenomen. Dat uit de bewijsvoering niet volgt dat aan de verdachte is verzocht om een en ander te wijzigen staat evenmin aan het gebruik voor het bewijs van deze verklaring, die slechts verschillen constateert, in de weg. Wat betreft het belang van deze passage uit de bewijsmiddelen wijs ik erop dat aan de verdachte niet is ten laste gelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte door de windroos, het lettertype of de kleur van de originele tekening van [C] aan te passen. Zonder deze passage zou de bewijsvoering ook nog steeds zonder meer toereikend zijn.
32. De steller van het middel voert voorts aan dat het wijzigen van een tekening aan de hand van nieuwe metingen zou betekenen dat een nieuwe tekening wordt gemaakt waarop de ‘handtekening’ komt te staan van degene die deze maakt en dat de tekening waarom het in de bewijsvoering gaat niet door de verdachte kan zijn aangepast omdat deze volgens de bewijsvoering kennelijk als van [C] afkomstig had te gelden.
33. Het wijzigen van een tekening impliceert niet noodzakelijkerwijs dat op de (nieuwe) tekening de ‘handtekening’ komt te staan van degene die deze maakt. Het hof heeft uit de waarneming van verbalisant kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de verdachte een (nieuwe) tekening heeft gemaakt die als van [C] afkomstig had te gelden en van een logo was voorzien dat op dat van [C] leek maar daar tevens van afweek. Daaraan doet niet af dat het hof, zoals de steller van het middel opmerkt, geen nadere vaststellingen omtrent het logo heeft gedaan. Ik merk daarbij op dat ter terechtzitting in hoger beroep niet is bestreden dat de verdachte een tekening van [C] heeft bewerkt, en dat noch de verdachte noch de raadsman is ingegaan op de waarneming van de verbalisant omtrent de windroos, het lettertype en de kleur van de tekst op de tekening die door de provincie is ontvangen.
34. Ik merk naar aanleiding van de opmerkingen van de steller van het middel nog op dat in de cassatieschriftuur niet wordt betoogd dat het maken van een nieuwe tekening het valselijk opmaken van een geschrift en niet het vervalsen daarvan oplevert. Nu na cassatie tevens het valselijk opmaken ten laste zou kunnen worden gelegd en de keuze tussen beide gedragingen voor de strafrechtelijke waardering van het feit niet van belang is, meen ik dat het belang bij cassatie ingeval van een dergelijke klacht ook toelichting zou behoeven.
35. De eerste deelklacht faalt.
36. De
tweededeelklacht betreft de vraag of het (in het bewezenverklaarde vervalsen besloten liggende) opzet uit de bewijsmiddelen kan volgen. De steller van het middel voert aan dat uit de bewijsmiddelen, uit hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard en uit het pleidooi van de verdediging zou volgen dat de verdachte ‘heeft getekend op basis van door [A] aangeleverde data en dat dit de gangbare praktijk was’. Het hof zou ten onrechte de juistheid in het midden hebben gelaten van het verweer dat de verdachte niet zou hebben vermoed dat deze data niet in overeenstemming waren met de werkelijkheid. In ieder geval zou de verwerping van dit verweer (zonder motivering, die ontbreekt) onbegrijpelijk zijn.
37. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van [betrokkene 2] de tekeningen is gaan aanpassen en dat hij toen ‘nattigheid’ voelde door ‘het gedoe met [C] ’ omdat het al opgeleverd had moeten zijn (bewijsmiddel 1). De verdachte heeft voorts verklaard dat hij nadat hij de controlemeetgegevens opgemaakt door [B] van [A] had ontvangen en van [betrokkene 2] het verzoek kreeg om ‘ze’ aan te passen, dacht: ‘dit gaat helemaal mis’. En dat hij daarop de mail naar [betrokkene 3] heeft gestuurd op 13 december 2015 (bewijsmiddel 2). Uit die onder de bewijsmiddelen opgenomen e-mail volgt dat is bijgevoegd ‘de originele inmeting’ en het ‘aangepaste bestand (…) in het wetransfer-bestand’, alsmede de ‘ [C] (die) is aangepast en bijgevoegd in het wetransfer bestand’. En de verdachte geeft aan dat de bijgevoegde originele inmeting niet doorgestuurd moest worden, dat ‘alle metingen zowel van [verdachte] als [C] (zijn) bijgesteld, zodat deze onder de desbetreffende legger vallen’ en dat de opdrachtgever bij controle in situ andere waardes zal constateren waarvoor de verantwoordelijkheid/verklaringen bij [A] liggen (bewijsmiddel 8).
38. Het hof heeft vastgesteld dat ‘op de betreffende dwarsprofieltekening, die door verdachte is aangepast, de vaart op de goede diepte was uitgebaggerd, maar dat dit niet in overeenstemming was met de feitelijke situatie’. En dat de verdachte hiervan ‘als gezegd op de hoogte’ was. Het hof verwijst daarbij naar de inhoud van de e-mail van 13 december 2015. Aldus heeft het hof de juistheid van de stelling dat verdachte niet zou hebben vermoed dat de door [A] aangeleverde data niet in overeenstemming waren met de werkelijkheid niet in het midden gelaten. Uit de vaststelling dat verdachte aan [A] heeft aangegeven dat de opdrachtgever bij controle in situ andere waardes zal constateren, volgt immers dat de verdachte wist dat dat zijn aanpassingen in de dwarsprofieltekening niet in overeenstemming waren met de werkelijkheid. Ook overigens is ’s hofs oordeel dat de verdachte wist dat de wijzigingen die hij had aangebracht in strijd met de werkelijkheid waren en dus opzet had op het vervalsen van de dwarsprofieltekening toereikend met redenen omkleed. Ik merk daarbij nog op dat het beroep op een ‘gangbare praktijk’ niet aan een bewezenverklaring in de weg staat en evenmin een beroep op een strafuitsluitingsgrond oplevert, zodat het hof daaraan voorbij mocht gaan.
39. Ook de tweede deelklacht faalt.
40. De
derdedeelklacht betreft de vraag of uit de bewijsvoering kan blijken dat de verdachte de bedoeling had het vervalste geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. De steller van het middel voert aan dat uit het e-mailbericht slechts zou volgen dat ‘de opdrachtgever bij een controle andere waardes zou constateren’. Daarmee zou niets gezegd zijn over de kans dat de tekening gebruikt zou worden. En in de e-mail zou voorts besloten liggen dat de verdachte ‘ervan uitging dat de opdrachtgever (voor de inzending van de tekening) nog een controle zou uitvoeren’.
41. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij ‘meet- en tekenwerk voor opdrachtgevers’ doet, dat zij als er ‘sprake is van baggerwerk’ door [A] werden gevraagd ‘om tussenmetingen te maken’ en dat zij hem hebben ‘ingehuurd voor de eindmetingen’. Hij verklaart voorts dat hij ‘nattigheid’ voelde ‘door het gedoe met [C] . Het had namelijk al opgeleverd moeten worden’ (bewijsmiddel 1). Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij de controlemeetgegevens opgemaakt door [B] heeft ontvangen van [A] , dat hij van [betrokkene 2] het verzoek kreeg om ze aan te passen en dat hij toen dacht: ‘dit gaat helemaal mis’ (bewijsmiddel 2). De e-mail die hij daaropvolgend naar [betrokkene 3] heeft verstuurd, heeft als onderwerp ‘Oplevering Hooivaart’ en houdt in dat de originele meting is bijgevoegd en vermeldt daarbij: ‘(deze niet doorsturen!!)’. De e-mail eindigt met de zinnen: ‘Bij controle in situ zal de opdrachtgever andere waardes constateren. Mocht de opdrachtgever dit constateren dan zal de verantwoordelijkheid/verklaringen hierover bij [A] liggen’ (bewijsmiddel 8).
42. Het hof leidt, zo begrijp ik, in het bijzonder uit deze laatste beide zinnen af ‘dat verdachte beseft moet hebben wat het belang was van de door [A] verzochte aanpassing van de profieltekening en voorts dat het verzoek van [A] geen enkel ander aannemelijk doel kon dienen dan de aangepaste profieltekening te gebruiken tegenover de opdrachtgever’. Dat verdachte in de e-mail de verantwoordelijkheid voor het gebruik daarvan bij [A] legt duidt er, aldus het hof, ‘eens te meer op dat verdachte zich realiseerde dat de aangepaste profieltekening gebruikt zou worden, en dat bij een
controlede onjuistheid daarvan aan het licht zou komen.’ Gelet daarop heeft het hof geoordeeld dat de verdachte het oogmerk heeft gehad, ‘in de zin van zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn’ op het als echt en onvervalst gebruiken van de tekening door [A] richting de provincie in de eindoplevering.
43. Anders dan de steller van het middel meen ik dat uit de e-mail van de verdachte van 13 december 2015 kan worden opgemaakt dat de verdachte het oogmerk had dat de door hem aangepaste dwarsprofieltekening zou worden gebruikt (door deze te verzenden naar de opdrachtgever, de provincie). Immers heeft de verdachte in die e-mail aangegeven dat de originele inmeting niet doorgestuurd moest worden en dat de opdrachtgever bij een controle andere waardes zou constateren.
44. Al met al heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte het oogmerk had dat de door hem aangepaste tekening door [A] zou worden gebruikt en dat hij de dwarsprofieltekening aldus heeft vervalst met het oogmerk om dit valse geschrift ‘als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken’, zoals art. 225, eerste lid, Sr eist. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.
45. De derde deelklacht faalt eveneens. Daarmee faalt het middel.