Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het procesverloop
3. Het gerecht in eerste aanleg heeft als steunbewijs in combinatie met de compilatie camerabeelden meegenomen de verklaringen van medeverdachte [getuige 1] en getuige [getuige 2] ondanks het feit dat de verdediging geen kans is geboden medeverdachte [getuige 1] te doen bevragen. De verdediging heeft nimmer afstand gedaan van deze getuige. [getuige 2] is bij de RC gehoord en vandaag wederom.
[…]
• de verdachte heeft het recht om de authenticiteit van de verklaringen te betwisten;
• Het gebruik van deze verklaringen aan te vechten;
• de manier waarop het bewijs is verkregen en tot slot de aanwezigheid van steunbewijs.
[…]”
5. Het bewijs dat cliënt de ten laste gelegde feiten zou hebben gepleegd is dus onder andere gebaseerd op de door de verbalisanten gerelateerde herkenningen van cliënt bij het bekijken van camerabeelden in combinatie met de verklaring van de getuige [getuige 2] en medeverdachte [getuige 1] . Er dient altijd behoedzaam te worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt te meer indien deze herkenningen het enige bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij de ten laste gelegde feiten kunnen aantonen. Gezien de twijfelachtige verklaring van [getuige 1] en gezien de verklaring van de getuige [getuige 2] bij de RC is de verdediging van mening dat ook in casu er slechts sprake is van een vermeende herkenning op basis van compilatiebeelden.
[…]”
hij op 18 november 2018 te Sint Maarten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [getuige 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de richting van voornoemde [getuige 1] heeft geschoten, terwijl de verdere uitvoering van dat door hem voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op 18 november 2018 te Sint Maarten, een vuurwapen en een hoeveelheid munitie in de zin van de Vuurwapenverordening voorhanden heeft gehad.”
- Gelet op de wijze hoe 4 hulzen met stempel "Homady 380 auto" op een afstand van 3 tot 10 meters werden aangetroffen op de Plaats Delict Airport Road ter hoogte van de parkeerplaats [E] en [F] ), is aannemelijk dat de schutter(s) vanaf voornoemde positie minimaal 4 keren had(den) geschoten met een pistool(en) van kaliber .380 auto;
- Gezien de verspreiding van de aangetroffen 5 hulzen van kaliber .40 S&W, is aannemelijk dat de schutter(s) minimaal 5 keren had(den) geschoten met een pistool(en) van kaliber .40 S&W;
- Op de Plaats Delict werd minimaal 9 keren geschoten met tenminste twee verschillende pistolen.
Op deze plek in de aanvulling van het op 25 februari 2021 gewezen vonnis is een tabel opgenomen met daarin vastgelegd een beschrijving van de camerabeelden, AG)
- Dat de verdachte [medeverdachte] , op de bewuste dag van het schietincident in donkere kledij gekleed was met daaronder een wit kledingstuk en een zwarte pet op het hoofd,
- Dat aan de hand van de kledingstukken en de pet als hierboven omschreven, het gevoeglijk aan te nemen is, dat hij degene is die zich al rennend, en wel in gebukte houding, verplaatst naar de richting van het incident,
- Dat hij een voorwerp gelijkend op een vuurwapen in zijn rechterhand heeft terwijl hij zich verplaatst naar de richting van het incident,
- Dat hij nabij de trap van het Chinese restaurant (referentiepunt) komt, en wel tussen een witgelakte personenauto van het merk Hyundai, model i10 en een donkergroen gelakte personenauto van het merk Hyundai, Tucson, te oordelen aan het mondingsvuur, een schot lost uit een vuurwapen, dat er drie patroonhulzen zijn aangetroffen in de directe omgeving waar het mondingsvuur op beeld is gezien.
Bewijsoverwegingen
Zij heeft daartoe aangevoerd dat de herkenningen van de verdachte op de met een camera opgenomen beelden door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet betrouwbaar zijn gezien het gebrek aan specifieke onderscheidende persoonskenmerken, alsmede gelet op de omstandigheden waaronder de herkenningen hebben plaatsgevonden.
Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de getuige [getuige 1] niet betrouwbaar is en derhalve niet bruikbaar is voor het bewijs.
Bovendien geldt hier dat sprake is van schending van het ondervragingsrecht van de verdediging, aldus de raadsvrouw.
"Herkenning vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld. Gezichtsherkenning van bekende mensen, zoals dat in het dagelijks leven door iedereen plaatsvindt, is een relatiefsnel en trefzeker 'holistisch' proces. De beoordeling vindt snel plaats, door (onbewust) allerlei aspecten af te wegen. De uitkomst van dit proces leidt tot de categorische, stellige uitkomst dat er wel of niet sprake is van herkenning, waarbij de beoordelaar vaak niet expliciet kan uitleggen waarom hij of zij een bepaalde conclusie trekt. (...) Herkenning van personen vindt niet alleen op basis van gezicht plaats, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, handen, lengte, postuur, kleding en manier van lopen en andere, soms onbewuste, voorinformatie zoals de locatie waar een persoon is gezien".
De verweren worden verworpen.”
3.Het eerste middel
Beoordeling van de ‘overall fairness’ van de procedure
[…]”
4.Het tweede middel
2. De beslissingen vermeld in de artikelen 393 en 401, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.
3. De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten of omstandigheden. 4. Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.
5. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsontneming meebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.
6. Indien een zwaardere straf wordt opgelegd dan de procureur-generaal heeft gevorderd, dan wel een straf onvoorwaardelijk wordt opgelegd die vrijheidsontneming van langere duur meebrengt dan de procureur-generaal heeft gevorderd, geeft het vonnis steeds in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. Hetzelfde geldt ingeval het Hof een zwaardere straf of maatregel oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.
7. Het vonnis wordt binnen vier maanden na de einduitspraak aangevuld met de in het derde lid bedoelde bewijsmiddelen indien de verdachte een rechtsmiddel heeft ingesteld dan wel indien de verdachte of diens raadsman daarom verzoekt of de procureur-generaal dit vordert.
8. Behoudens het gestelde in het derde lid geschiedt alles op straffe van nietigheid.”
2. In de andere gevallen bevestigt het Hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg met gehele of gedeeltelijke overneming, dan wel met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van dat vonnis, wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.
3. Indien echter de hoofdzaak niet door de rechter in eerste aanleg is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, verwijst het Hof daartoe de zaak naar de rechter in eerste aanleg van hetzelfde rechtsgebied, tenzij door de procureur-generaal en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het Hof is verlangd. In geval van verwijzing doet de rechter in eerste aanleg recht met inachtneming van 's Hofs vonnis.
4. In geval van vernietiging van het vonnis van de rechter in eerste aanleg is het Hof niettemin bevoegd gedeelten daarvan, door daarnaar te verwijzen, in zijn vonnis over te nemen, voor zover zij niet aan nietigheid lijden. Indien het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aan nietigheid lijdt, kan niettemin het vonnis, voor zover dit niet aan nietigheid lijdt, worden bevestigd.
5. Indien de wettelijke voorschriften, waarop de oplegging van straf of maatregel is gegrond, niet in het vonnis zijn vermeld, kan het Hof er mee volstaan het vonnis alleen te dien aanzien te vernietigen en te doen wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.
6. Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten aanzien van een of meer van de feiten, wordt in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het vonnis de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.”
Nota van wijziging: de gehele voorgestelde wijzigingen van artikel 402 is Pro ingevoegd bij Nota van wijziging. De wijziging is het gevolg van een uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden dd. 13 juli 2010 (
LJN. BJ8669), waarin vastgehouden werd aan de strikte tekst van artikel 402. Een vonnis bevatte tot dan toe op het moment dat de zaak werd ingezonden naar de Hoge Raad wel de bewijsmiddelen, maar die ontbraken veelal op de dag van de uitspraak. Ook in onze regio werd gebruik gemaakt van de in Nederland inmiddels gelegaliseerde praktijk om de bewijsmiddelen eerst toe te voegen aan het vonnis nadat eventueel hoger beroep of cassatie werd ingesteld. Een dergelijke praktijk bespaart veel werk en dus ook veel geld. Met de voorgestelde wijziging wordt ook hier die praktijk gelegaliseerd. Los van het instellen van een rechtsmiddel dient het vonnis eveneens aangevuld te worden met de bewijsmiddelen indien de verdediging of vervolging dat verzoekt c.q. vordert.